Actieve en passieve vragen

Eind vorig jaar schreef ik de goed gelezen postings over gedragsverandering met een moodboard. Ik beschreef dat als je doelen wilt halen, dit een verandering van je gedrag vereist. Die verandering kun je meten door jezelf vragen te stellen. Bij het verzinnen van vragen merk je dat er twee soorten vragen zijn: vragen die betrekking hebben op iets wat je actief doet en vragen die aangeven of je iets passief krijgt.

De trap nemen is iets wat je actief doet. Op de weegschaal staan ook. Zien dat je gewicht onder een bepaald aantal kilo’s is, is iets passiefs. Op een dag overkomt het je. Ondanks dat je er hard voor gewerkt hebt. Het winnen van de loterij is ook iets wat je overkomt (passief), maar je moet er wel iets voor doen: loten kopen (actief).

De actieve en passieve vragen staan met elkaar in verband. Des te meer ‘ja’ je antwoordt op de actieve vragen (dat wat je doet), des te meer ‘ja’ je antwoord bij de passieve vragen (dat wat je bereikt). Wat je doet bepaald wat je krijgt.

Advertisements

Werken tot je 67 is onmogelijk

De Nederlandse regering denkt er erg aan om de AOW-leeftijd te verhogen. Hierdoor zal iedereen moeten werken tot zijn 67e. Op zich ben ik voor. Mits deze maatregel samengaat met een pakket maatregelen die er voor moet zorgen dat mensen op 67-jarige leeftijd daadwerkelijk een nuttige bijdrage kunnen leveren. En dat is denk ik een lastige (zo niet onmogelijke opgave). Zeker voor de nieuwe generatie kenniswerkers.

Zonder wetenschappelijk onderzoek durf ik te stellen dat de meest productieve jaren voor een gemiddeld persoon liggen tussen het 25e en 45e levensjaar. Zonder twijfel is deze bandbreedte per beroepsgroep anders. Desondanks is het logisch dat jongeren nog een hoop moeten leren voor ze echt productief worden. Naast het feit dat ouderen ontdekt hebben dat er meer is dan werken alleen heeft deze groep een aantal hindernissen.

Ouderen hebben last van fysiek beperkingen; ouderdom komt met gebreken. Van je 17e tot je 67e stratenmaker zijn mij vrijwel onmogelijk zonder je rug volledig in de vernieling te draaien. Onze volksvertegenwoordigers in Den Haag begrijpen dit gelukkig en tonen coulance door te denken aan een uitzondering voor ‘zware beroepen’.

Een tweede probleem waar ouderen mee kampen is een kennisachterstand. Laten we eerlijk zijn. Op je 60e is de HAVO al weer 45 terug in de tijd. En die universitaire titel is niet meer dan dat: een titel. Goed dat je dat ooit gehaald hebt, maar zonder up-to-date kennis en praktische ervaring voegt een 65-jarige kenniswerker in onze kenniseconomie niet veel toe. Het zal mij niets verbazen als een ervaren grijze kracht het in een sollicitatie dubbel en dwars aflegt tegen een sluwe kwieke dertiger. Of dit eerlijk is of niet.

Daarmee is het te simpel om de bal bij werkgevers te leggen. Een onderneming draaiende houden is al lastig zat en een bedrijf is geen charitatieve instelling. Nee: het is een eigen verantwoordelijkheid om toegevoegde waarde te hebben, nu en in de economie van de toekomst. De Engelsen hebben hier een mooi woord voor: employability. Dat je zelf zorgt dat je van waarde blijft voor werkgevers.

Dat ‘kennis bijhouden’ kan over het algemeen heel goed door binnen de organisatie bij te blijven en persoonlijk te blijven groeien. Desondanks zit hier een limiet aan. Niet iedereen kan guru of topmanager worden. En dan nog heb je cursussen nodig om nieuwe kennis op te doen. Cursussen volgen is echter heel erg duur. En een tweede universitaire studie al volledig onbetaalbaar. Zonder in details te treden mag ik verklappen dat dit je zo 8 jaar van je leven en 120.000 euro aan spaarcenten kost. Die kun je dus beter in een vervroegd pensioen stoppen.

De primaire verantwoordelijk van iemands carrière blijf desondanks bij de kenniswerker zelf liggen. Afgezien daarvan zou het goed zij als de regering het voor kenniswerkers mogelijk maakt om hun kennis bij te houden. Bijvoorbeeld door cursussen sterker te promoten en te subsidiëren. Mochten de Haagse dames en heren hier geen oplossing voor hebben, dan vrees ik dat we er een groot aantal beroepen bij krijgen die je na je 60e niet meer kan uitvoeren. Wordt ‘kenniswerker’ dan ook een zwaar beroep?

Verwachtingen van een hotel

In de psycholgie wordt onderscheid gemaakt tussen satisfiers en dissatisfiers. Disstatisfiers zijn die elementen die er moeten zijn als je wilt voorkomen je ontevreden bent. Je wordt niet gelukkig als ze er zijn, maar je wordt er wel ongelukkig van als ze ontbreken. Het zijn de noodzakelijk randvoorwaarden. Aan de andere kant werken satisfiers precies andersom. Ze maken je bij afwezigheid niet ongelukkig. Maar als ze er wel zijn dan wordt je daar wel gelukkig van.

Een hotel is er in de basis om te slapen, te douchen en te ontbijten. Dit zijn de dissatisfiers. Als één van deze faciliteiten niet of onvoldoende wordt aangeboden is het verblijf niet naar tevredenheid. Al zijn de douchkoppen van goud of krijg je geld toe bij een overnachting. Het heeft geen nut om als dienstverlener satisfiers aan te bieden als de dissatisfiers niet op orde zijn.

Van een hotel verwacht je minstens dat er goed kunt slapen. Van de tijd die doorbrengt in een hotel lig je minstens de helft op bed. Met je ogen dicht. Bewustenloos. En als je dan weer op staat wil je een uitgerust gevoel hebben. Voor een hotel is deze opgave moeilijker dan op het eerste gezicht lijkt. De plaats waar iemand slaapt (normaal zijn eigen slaapkamer) is van groot belang bij het in slaapvallen.

De stimulus-response theorie leert dat iemand die ’s avonds zijn eigen slaapkamer binnenkomt automatisch slaap krijgt. De ervaring van ‘slaapkamer binnenwandelen’ is gekoppeld aan de reactie ‘slapen gaan’. Bij een andere kamer is deze reactie minder groot. Ook niet bij een andere slaapkamer. En zeker niet bij een hotelkamer. En dat is alleen nog maar het psychologisch effect van de kamer!

Tel bij dit psychologisch effect alle ander aspecten op en de pret is compleet. Denk aan het te harde (of te zachte) matras, het gebrek aan kussens of de sensatie van lakens in plaats van een dekbed. Desondanks kan een hotel een goede poging wagen om te zorgen voor een fatsoenlijk matras, voldoende kussens – één harde en één zachte per persoon – en een dekbed in plaats van lakens (al kun je daar nog over twisten).

Naast het bed zijn er meer factoren die helpen bij een goede nachtrust. Een stille ruimte bijvoorbeeld. Dit begint bij de ramen. Deze moeten goed dicht kunnen en geluid buiten houden. Dichte ramen betekend dat alle geluid van buiten niet meer binnen hoorbaar is. En ja, ventilatie wordt dan inderdaad een probleem. Het is dus nog beter om het hotel te bouwen op een plaats waar buiten geen lawaai is (al heb je niet alles in de hand). Als hoteleigenaar kun je er op z’n minst voor zorgen dat het hotel zelf geen lawaai maakt. Hierbij denk ik aan luide airco-installaties. Deze kunnen gewoon op het dak staan, in plaats van onder het slaapkamerraam.

Als alles buiten stil is, verhuizen we naar binnen. De wanden dienen voldoende geïsoleerd te zijn zodat je de buren niet hoort. Ook niet als ze gaan douchen of zich bezig houden met spelletjes die alleen voor volwassenen bedoeld zijn. De deur naar de gang dient ook geisoleerd te zijn. Een strip onder de deur, en tapijt in de gang helpen. Stom genoeg helpt fel licht in de gang ook. Gangbewandelaars voelen zich minder genoodzaakt luide gespreken te voeren als ze in fel licht – en licht beschonken toestand – naar hun kamer lopen.

En zo komen op het laatste storende element: de koelkast. Hoe goed bedoeld deze onderkoelde vriend ook is, hij maakt herrie. En dat is jammer en onnodig. Allereerst kun je jezelf afvragen voor wie de minibar is. Voor jou als gast – als service – of voor de omzet van hoteleigenaar. Afgezien daarvan mag een koelkast een gast niet uit zijn slaap houden. Zodra ik op een hotelkamer een koelkast zie dan ga ik standaard op zoek. Op zoek naar een stekker die ik er dan per direct uittrek.

Nu het bed lekker slaapt en de kamer stil is kunnen we naar het volgende en laatste kriteria: donker. Het moet mogelijk zijn de kamer te verduisteren. En dan bedoel ik: compleet te verduisteren. Of je dit als gast nu wilt of niet, het moet mogelijk zijn. Een simpel lapje voor het raam volstaat niet. Een rolgordijn wat het complete raam lichtvrij afsluit volstaat wel. En als wekkerradio… liever geen groen display. Rood is veel prettiger. Misschien ben ik nu aan het zeuren, maar het is een eenvoudige keuze die niets extra kost (aan geld of moeite) en het comfort voor de gast een tikje hoger maakt. Kleine moeite met wellicht een groot plezier.

Over de douche kan ik kort zijn: warm met een goede straal zonder dat de rest van de badkamer ook gelijk nat is. Dat is namelijk niet de bedoeling. Een eenvoudig douchgordijn volstaat om dit laatste doel te behalen. Het ontbijt kan evenzo kort behandeld worden. Ook dit moet er gewoon zijn. Daar kun je niets aan verklooien. Een paar boterhammen, bolletjes voor de liefhebber, wat musli en crusli en voilá. Een kind kan de was doen.

Klaagzang op hotels

Binnenkort is het weer zover: over anderhalve week ga ik op vakantie. Ik hou er van om rond te trekken, 18 dagen met wellicht evenzoveel hotels. Soms zijn hotels prima, vaak gaat het mis! Waarom is het nou zo lastig om een bezoeker een bed te bieden en een dak boven zijn hoofd? Zoveel heeft een toerist echt niet nodig: een bed waar hij droog, stil en donker kan slapen is al voldoende. Ja, en een douche in de ochtend, en een ontbijt. Maar dan zijn we er ook wel. De rest is luxe. Die komen pas aan bod als de basis goed is. Laten we daar mee beginnen.

Vorig jaar maakte ik de slechtste nacht van een lange reeks hotelovernachtingen mee. We rijden vanuit Italië richting Zwitserland. We besluiten net voor de Zwitserse grens een hotel te zoeken (Italië is goedkoper dan Zwitserland). Het is al donker als we op zoek gaan. Pikdonker, goed dat mijn auto lichten heeft. In een dorpje – naar verwachting het laatste dorpje voor de grens – zien we een restaurant met een Zimmer frei. Prima, we stoppen en vragen of er plaats is.

De dame achter de tap is vriendelijk, maar spreekt alleen Italiaans. Geen woordje Engels of zelfs maar Duits. Geeft niets, een evenzo vriendelijke meneer aan één van de tafeltjes in het café treed graag op als tolk. De kamer blijkt vrij en kost 35 euro. Of we hem willen zien? En hier gaat het dus al mis. Of we hem willen zien? Instinctief weet ik dat we toch geen nee meer zeggen. De auto is gestopt, wij zijn uitgestapt, we hebben nu geen zin meer om verder te zoeken. We nemen de kamer.

De kamer is authentiek. Dat moet gezegd. Het bankstel mag opnieuw bekleed worden. Ik schat dat het bankstel antiek is, in ieder geval meer dan honderd jaar oud. Je kan er niet op zitten zonder door te zakken. Het neemt alleen maar ruimte in, het ding is een sta in de weg. Een authentieke antieke sta in de weg. Het is een stuk meubilair wat letterlijk ‘over’ was. Niemand wilde het hebben; nou zet het hier dan maar neer.

Verder staat er een tafel. Het net authentiek tafelkleed doet een goede poging te verhullen dat de tafel in werkelijkheid een ordinaire tuintafel is. Charmant en zo enorm niet in stijl. Desondanks is het het enige stuk meubilair wat niet uit elkaar valt als je er naar kijkt. Waarschijnlijk omdat het gemaakt is van één bonk plastic. Over het bed kan ik kort zijn en hoef ik niet uit te wijden: het is een plank met een flinterdun matrasje. Mijn rug doet zeer van het liggen. En dat is best knap.

De geluidsoverlast van het café onder onze kamer valt mee en dooft snel uit. Gelukkig wordt het caférumour snel overgenomen door een aantal tieners die tegenover het hotelletje druk met elkaar de afgelopen dag nog eens doorspreken. Zodra de dag besproken is volgt de dag van morgen, overmorgen de komende week. Het lijkt alsof ze hun hele leven doorspreken. Er komt geen eind aan. Om één uur is het stil. Tot een uur of zes, want dan komen de auto’s alweer voor het hotel langsrazen. Vijf uur rust moet voldoende zijn, toch? Nou, niet bij mij. Dan maar er uit en douchen. Het water is koud. Gatverder.

Met tegenzin voldoen we de rekening en gaan we weer op weg naar het volgende hotel. Er is altijd die hoop dat het volgende hotel wel begrijpt wat een gast zoekt: een goed bed om lekker in te slapen, een warme douche in de ochtend een fatsoenlijk ontbijt. Is dat nou zo lastig?

User stories in 11 stappen

Disclaimer: deze post is wellicht alleen begrijpbaar als je bekend bent met software-ontwikkeling op basis van de SCRUM methode. 🙂

Om het verwerken van stories en de communicatie te verbeteren hierbij een recept.

  1. Kies die story die niemand sneller en beter kan dan jij
  2. Ga rustig zitten filosoferen over de betekenis en mogelijke oplossingen
  3. Bij beschikbaarheid, of enige twijfel: roep de product owner
  4. Roep je code partner *) en bespreek de oplossingen en aanpak
  5. Voer een korte doch pittige discussie met je code partner
  6. Maak een afspraak met je code partner over wat je ga doen
  7. Doe wat je heb afgesproken (dit is het leeuwendeel van het werk)
  8. Zodra je beren op de weg tegenkomt: ga terug naar stap 3
  9. Bij afronding roep je je code partner en doe je een code review
  10. Verbeter en refactor de code waar nodig na de code review
  11. Commit je code en zet de initialen van je code partner in de comments

*) Een code partner is een persoon met wie je samen werkt. Dit is vergelijkbaar met Pair Programming.