De ethische verkoper en zijn werkgever

Stel jezelf eens het volgende verhaaltje voor. Een accountmanager (laten we hem in gewoon Nederlands verkoper noemen) neemt ontslag en zijn werkgever schiet in de stress. De verkoper heeft een band opgebouwd met zijn klanten. Zij vertrouwen de verkoper en doen daarom graag zaken met hem. Nu en in de toekomst. Daarom is de werkgever bang dat de verkoper klanten meeneemt naar zijn nieuwe baan.

Het doorsnee arbeidscontract sluit uit dat medewerkers klanten stelen van hun baas. Toch nemen veel verkopers hun contacten stiekem mee. In een extreme vorm doet hij dit (verkopers zijn meestal mannen) door het complete adressenbestand als handzaam Excel-bestand te kopiëren. Het kan subtieler door visitekaartjes thuis te bewaren – wel zo veilig, zeg maar. Linksom of rechtsom is het onvermijdbaar dat een verkoper kennis over de markt en contacten uit de markt meeneemt naar zijn nieuwe werkgever. Een goed persoonlijk contact stopt niet zomaar.

Voor werkgevers is dit slechts nieuws en het is terecht dat ze in alle redelijkheid maatregelen nemen om dit soort ‘diefstal’ te voorkomen. De toegang afsluiten tot de verkoopdatabase is bijvoorbeeld een logische, eenvoudige en effectieve stap. Het beeld waarbij de verkoper door de portier het pand uit wordt geëscorteerd spreekt meer tot de verbeelding; minder effectief, wel smeuïg. Het is ook een beeld wat je als werkgever eigenlijk wilt voorkomen. Het tekent de werkgever als een angstig persoon die bang is ieder moment failliet te gaan.

Laten we eerlijk zijn. Hoe erg is het eigenlijk dat een verkoper er met de klantenlijst vandoor gaat? Het is maar de vraag of de verkoper sowieso in dezelfde branche gaat werken. Bij de directe concurrent dus. Zo ja, dan is de zorg wellicht terecht. Maar hoe geloofwaardig is de verkoper dan? Vandaag product A aanprijzen en morgen product B? Je moet van goede huizen komen als je dat kan uitleggen. Het straalt weinig vertrouwen uit. Geen klant die daar intrapt.

Tegelijkertijd is het vanuit de oud-werkgever gezien nogal hypocriet. Wanneer hij een nieuwe verkoper aanneemt, dan gaat zijn voorkeur toch ook uit naar iemand die ervaring heeft in de markt. Iemand die weet wie de spelers zijn en het liefst goede contacten heeft. Mag je dan als werkgever een nieuwe medewerker aansporen zijn oude contacten als ‘handzaam Excel-bestand’ aan te leveren? Nee, natuurlijk niet. Hier kun je alleen maar op hopen.

Het internet is sociaal

De klant, zowel business-to-business als business-to-consumer, ontvangt steeds meer prikkels. De klant weet daardoor steeds sneller informatie te filteren. Snelle filtering betekend een continue verkleining van de aandachtspanne. En om de zaak nog erger te maken; naast een verkorte aandachtsspanne neemt de merktrouwheid ook nog eens af. Dit zijn trends die voorlopig niet stoppen!

Het internet speelt een steeds grotere rol in de marketing van bedrijven. Daarbij geldt dat bij een afnemende merktrouwheid een statische web 1.0 visitekaart-website niet meer volstaat. Dit soort websites heeft slechts een beperkt aantal bezoekers per maand. En dit zijn dan vaak bezoekers met wie je in de echte wereld al contact hebt gehad. Via je website kun je ze niet veel meer bieden dan je al gedaan hebt. Dit laatste is belangrijk.

Stel dat je de bezoekers wél iets extra’s kunt bieden, dan (en alleen dan) kun je via internet de band die je in het echte leven hebt opgebouwd versterken. Je kunt via internet het aantal contactmomenten verhogen. Organisaties die de aandacht van hun doelgroep willen vasthouden zullen zich op internet sterk moeten manifesteren.

Het internet biedt organisaties de mogelijkheid om voortdurend te communiceren met hun doelgroep zonder daar direct en onmiddellijk tijd in te steken. Zo kan een organisatie niet alleen tijdens kantooruren in contact blijven met de doelgroep, maar 24 uur per dag, 7 dagen per week. Let wel: dit contact moet verder gaan dan een visitekaart-website. De website dient een interactie met de bezoeker aan te gaan. Hoe we dat kunnen doen is te leren uit de lessen die getrokken zijn uit web 2.0. De vraag is dus: wat heeft web 2.0 ons geleerd over methodes en technieken die we kunnen toepassen om de doelgroep op de website vast houden?

De belangrijkste les die we kunnen leren uit web 2.0 is geen technologische, maar een sociologische. Naast technische veranderingen is namelijk ook de grondhouding op het internet veranderd. En deze veranderde grondhouding is van groter belang dan de technologische veranderingen. Bij web 2.0 staan vertrouwen en openheid meer dan ooit centraal. Het web 2.0 wordt niet voor niets vaak het social web genoemd. Web 2.0 is een ontmoetingsplaats waar mensen samen informatie delen en samen creëren. Wil een web 2.0 website succesvol zijn, dan zal de initiatiefnemer bereid moeten zijn om de controle (grotendeels) af te staan.

Hij is geen baas, manager of regisseur. Hij kan de doelgroep niet dirigeren. Hij kan hooguit een veto uitspreken. En dan is het nog maar de vraag of dat handig is. De initiatiefnemer is eerder een voorzitter van een vereniging, waarbij zijn doelgroep de leden van een gemeenschap zijn. De initiatiefnemer zal heel goed moeten luisteren naar wat er binnen de gemeenschap leeft, en daar acties op moeten ondernemen. De initiatiefnemer van een website is een leider en iemand die de gemeenschap aanvoelt en inspireert.

Leiders zijn personen die het initiatief nemen om een groep mensen rondom een thema te verzamelen, en deze groep kunnen inspireren om elkaar te ontmoeten en samen iets groots te creëren. En iedereen kan een leider zijn. Mensen hebben geen grote industriële complexen meer nodig om een product of dienst voort te brengen. Daaruit volgt dat het niet de initiatiefnemer, noch zijn bedrijf is dat centraal staat, maar het thema. Mensen associëren zich met een hoger doel. Het bedrijfsleven begint deze nieuwe werkelijkheid door te hebben. En dat is logisch.

De lessen uit web 2.0 zijn te trekken: wees een leider, de wereld wacht op je!

Is web 2.0 relevant?

Er zijn enorm veel websites die iets doen wat je kunt typeren als web 2.0. Of een website succesvol wordt is zeer moeilijk te voorspellen. Van sommige zeer succesvolle ideeën zag niemand de waarde in. Andere strandden, terwijl niemand dát voorspelde. Herinnert iemand zich de hype rond SecondLife nog? Ook zijn er ideeën die op zich wel geslaagd zijn, maar geen verdienmodel hebben; er komt geen omzet in het laatje. De grote vraag is, zoals altijd bij innovaties: “Wat kan ik er mee?” En: “Moet ik er iets mee, ga ik de boot missen als ik niet snel op de trein spring?” Het antwoord is zoals zo vaak: “Dat hangt er van af.”

Bij innovaties is het goed de Technology Adoption Life Cycle (TALC) op het netvlies te houden. De TALC beschrijft dat nieuwe producten eerst door een kleine groep innovatief ingestelde mensen gebruikt worden voordat een grotere groep gebruikers, de early adopters, het aandurft. Na deze twee groepen komt de rest van de wereld waardoor het product gemeengoed wordt. De TALC beschrijft tevens dat een nieuw innovatief product of dienst eerst een kloof moet oversteken (de Chasm) om tot wasdom te komen.

Het oversteken van deze kloof heeft twee kenmerken. Het eerste kenmerk is dat de gebruikersgroep vóór de kloof een andere is dan ná de kloof. Het tweede kenmerk is dat het product op een andere manier gebruikt wordt. Met andere woorden: na de kloof zijn het andere mensen die het product gebruiken dan daarvoor, en ze gebruiken het nog eens anders ook! Bovendien blijkt in de praktijk dat een product pas na het oversteken van de kloof winstgevend wordt.

SecondLife heeft de kloof niet kunnen oversteken. Twitter zal dit naar alle waarschijnlijkheid wel lukken. Het is alleen de vraag hoe het na de kloof gebruikt zal worden. Oprah Winfrey promootte Twitter in haar show. Het type gebruikers en de manier waarop Twitter gebruikt wordt zijn daarna nooit meer hetzelfde geweest. Voor Oprah werd Twitter gebruikt door een beperkte groep, de incrowd. Voor de rest van de wereld was het niet relevant. Dat wordt nu anders.

Het eenvoudig opdelen van innovaties in twee groepen (voor en na de kloof) biedt houvast. Die cutting-edge innovaties voor de kloof zijn nog niet relevant, maar zeker wel interessant om in de gaten te houden. Het is goed om te letten op de trends, zodat je weet in welke richting de voorhoede marcheert. Van de innovaties na de kloof is het absoluut relevant om kennis te nemen van de lessen die getrokken kunnen worden. Deze lessen kunnen worden toegepast op het volgende deel van de TALC. Daar waar het merendeel van de mensen zitten.

De waarheid achter open source – deel 2

Dit is het vervolg op een eerder post: De waarheid achter open source – deel 1.

Na veel tijd en moeite gestoken te hebben in mijn open source-project, krijg ik een brief van de bank. Ze zouden het enorm op prijs stellen als ik weer begin met het betalen van mijn hypotheek. Oh ja, dat is waar ook! Door dit open source-project was het mij bijna ontschoten dat de schoorsteen ook moet blijven roken. Weet je wat? Ik ga adviesdiensten aanbieden rondom mijn open source-project. De tijd die ik gestoken heb in de ontwikkeling moet immers linksom of rechtsom worden terugverdiend.

Nu kun je als tegenargument voor mijn betoog naar voren brengen dat de kosten van de ontwikkeling in dit geval door één partij gedragen worden: mijn persoontje. Klopt. In alle succesvolle open source-projecten worden de kosten gedragen door veel partijen. Ieder draagt zijn steentje bij en zo zijn de kosten voor ieder relatief klein.

Maar, is dit nou echt een groot voordeel van open source? Realistisch gesproken kan het bijna niet. Het bouwen van open source software kost tijd en geld. Evenveel als software die niet open source is. En iedereen die aan open source meewerkt moet ook zijn hypotheek betalen, net als ik. De totale kosten zijn dus gelijk, en deze zullen hoe dan ook terugverdiend moeten worden. Het verdienmodel zal anders zijn, maar uiteindelijk betaalt de klant de prijs. Daar kun je van op aan.

In alle eerlijkheid moet ik zeggen dat ik dit niet met cijfers hard kan maken. Mijn stelling gaat ook niet voor de volle 100% op, ik geef het ruiterlijk toe. Open source zal voor de klant uiteindelijk best wel wat goedkoper zijn. Maar waar het mij om gaat is dit: open source is absoluut nooit gratis. Je betaalt hooguit op een andere manier!

In de tussentijd heb ik de bank weer tevreden gesteld. Mijn adviesbedrijfje loopt als een tierelier. De software is gratis, jawel. Mijn klanten betalen mij voor onderhoud, beheer en incidenteel advies. Goede business mag ik wel zeggen. Anderen zijn ondertussen ook met mijn projectje aan de slag gegaan, en ik krijg waardevolle feedback. Mooi, allemaal gratis ideeën hoe ik mijn product nog mooier, beter, sneller en aantrekkelijker kan maken.

Maar na hard werken nu eerst op vakantie. Viva Las Vegas. Drie weken genieten van de zon. De wensen voor aanpassing van de software kunnen wachten. Dat mag geen probleem zijn. Het is toch open source. Als de klant wil kan hij zelf aan de slag. De broncode heb ik toch niet voor niets meegeleverd? Mis dus!

Zodra de gebruiker van open source software ook maar één regel code aanpast is hij het haasje. Bij een volgende versie vanuit het moederschip (ik in dit geval) staat hij voor een lastig dilemma: upgraden of branchen. Bij een upgrade is hij zijn wijziging kwijt. Bij een branch, waarbij de klant er voor kiest voortaan zelf de code te onderhouden zal hij nooit meer kunnen upgraden en rust de volledige verantwoordelijkheid op zijn schouders. En voor het geval dit nog niet evident geworden is: dat wil hij helemaal niet. Kortom, open source is alleen in theorie aanpasbaar.

Ja maar, ja maar… hoe handig is het niet dat de broncode van de software voor de klant beschikbaar is? Echt, ik kan de voordelen niet ontdekken. Als ik een auto koop ga ik die toch ook niet helemaal uit elkaar slopen? Wat heb ik daaraan? Het product dat ik koop moet het gewoon doen. Klaar. En als er iets kapot is dan breng ik het terug. In dit kader is het overigens wel interessant om te zien dat veel softwareproducenten hun broncode openbaar maken. Zo is het merendeel van de broncode van bijvoorbeeld Microsoft’s producten, nota bene, gewoon opvraagbaar.

Ik ben er van overtuigd dat open source software de toekomst heeft. Echter, er is nog veel te doen om goede uitleg te geven over wat open source betekend, wat de voordelen zijn en ook wat de nadelen zijn. Rond open source hangt een soort heilige cultuur waar je niets fouts over mag zeggen zonder verketterd te worden. Een louter positief verhaal geloofd niemand. Mijn oproep aan de open source gemeenschap: wees zo open als je pretendeert te zijn, ook over aspecten die minder positief zijn en help.

De waarheid achter open source – deel 1

Ik ben niet tegen open source. Sterker, open source heeft mijn warme aandacht en interesse. Het is alleen niet zo dat open source de zegen is die we nodig hebben om de wereld te redden van de ondergang. Stimulering van open source is een goede zaak, mits de discussie rond dit thema op basis van de juiste argumenten gevoerd wordt.

Waarneer het om het onderwerp ‘open source’ gaat, struikelen mensen over elkaar heen om zo snel mogelijk met hun gezicht op televisie te komen (politici voorop). En dat is jammer. Allereerst omdat er belangrijkere onderwerpen in de wereld zijn. Maar ook omdat de argumenten die aangehaald worden vaak ongefundeerd zijn. En dan heb ik het nog niet eens over de verwarring tussen open source en open standards of free-as-in-beer versus free-as-in-speech.

Waar gaat het nou om? Open source is gebaseerd op de gedachte dat als meerdere mensen tegelijkertijd een goed idee hebben, ze beter kunnen samenwerken. Dit in plaats van dat ze ieder voor zich aan de slag gaan op hun spreekwoordelijke zolderkamer. De gedachte is logisch: in theorie worden de kosten gedeeld en is het eindresultaat kwalitatief beter. Maar nu de praktijk.

Open source kent een aantal belangrijke drempels. Laten we eens beginnen bij het begin. Stel, ik heb een idee, een briljant idee uiteraard. Zo briljant dat het ook wel een uniek idee moet zijn. Ja, daar gaan we al. Als het een uniek idee is waar ik veel vertrouwen in heb, dan wil ik eigenlijk gelijk aan de slag. Dan ga ik niet eerst dagen, weken, maanden op zoek naar anderen die met hetzelfde idee rondlopen. Dat zou een vruchteloze exercitie worden. Mijn idee is immers niet voor niets uniek!

Maar goed. Laten we eens zeggen dat ik er minder vertrouwen in heb dat mijn idee uniek is. En ik ga daadwerkelijk op zoek naar metgezellen om mijn idee vorm te geven. Waar begin ik dan met zoeken? Waar is het platform voor open source-enthousiastelingen? Over zo’n platform heb ik nog geen politicus gehoord.

Dikke kans dat ik alsnog de hoop opgeef en zelf aan de slag ga. Als je eenmaal weet waar je moet zoeken, dan wordt het een heel ander verhaal. Maar goed, het heet niet voor niets een toegangsdrempel. Na veel bloed, zweet en tranen is het dan zover. Een eerste versie van mijn project is geboren. Het aantal gebruikers staat op één:  ikzelf.

Het blijkt helemaal niet makkelijk te zijn om een open source-project te starten en promoten. Omgekeerd werkt het wel. Des te groter het open source-project, des te meer aandacht het project zal krijgen. Daarbij hebben kleine projecten dan het nakijken. De grotere worden groter en de kleinere hebben geen schijn van kans. Ofwel: de grote projecten monopoliseren de markt.

Als je dan bedenkt dat achter vrijwel elk groot project een groot bedrijf schuilt, dan is het de vraag hoe eerlijk open source software is. De populaire browser Firefox bijvoorbeeld wordt ontwikkeld door de Mozilla Foundation. Een stichting dus, die geen belasting hoeft te betalen, maar wel een forse omzet draait. De bron van deze omzet laat zich raden. De ontwikkeling van Firefox wordt voor het allergrootste deel (zo’n 91%) betaald door Google. In ruil is Google de belangrijkste zoekoptie in Firefox.

Je zou bijna denken dat Firefox een project is van Google met één doel: via een gratis open source – do no evil – browser meer zoekmachine-dollars binnen harken.

btw: I ❤ Firefox 😉

Top video’s van top psychologen

Welke internetversie gebruik jij?

Bij het schrijven van deze blogpost heb ik taalkundige hulp gehad van Marc Paulissen van Heldere Taal.

Het internet van vandaag is niet wat de uitvinders ervan in gedachte hadden. Dat konden ze ook onmogelijk voorzien. Het internet is nu zelfs heel anders dan vijftien jaar geleden. En de kans is groot dat het internet over vijftien jaar onherkenbaar veranderd is.

Het internet was vijftien jaar geleden een statisch medium; vergelijkbaar met televisie. Een bedrijf of handig neefje plaatste een website op het internet. Die kon vervolgens door anderen bekeken worden.

Websites waren een visitekaartje van een bedrijf. Daarbij was sprake van éénrichtingverkeer: ik communiceer naar jou. Nou ja, ‘naar jou’? Naar een wildvreemde eigenlijk. Als je een website had, dan wist je niet eens wie je bezoekers zijn, laat staan dat die iets terug konden zeggen. Dat is nu anders.

Time Magazine benoemt ieder jaar een ‘Person of the Year’. Dit is een persoon die in dat jaar een uitzonderlijke prestatie geleverd heeft en het leven van velen beïnvloed heeft. In 2006 was de winnaar: ‘You’. Time Magazine maakte hiermee het statement dat iedereen tegenwoordig belangrijk is.

Het internet in zijn huidige vorm, web 2.0, heeft veel meer nadruk op wederzijdse en onderlinge communicatie. Hierbij spreekt de maker van een website een groep mensen aan en geeft hen de mogelijkheid om ónderling te communiceren.

Waar in web 1.0 de maker van de website slechts communiceert naar de bezoeker, communiceren bij web 2.0 de bezoekers terug naar de maker en onderling met elkaar. Op het internet van tegenwoordig sta jij, de bezoeker, centraal.

Iedereen heeft de mogelijkheid zich te kunnen profileren op het web. Dit doen we door advertenties te plaatsen (Marktplaats), samen iets te creëren (Wikipedia) of profielpagina’s over onszelf te maken (Hyves). Web 2.0 gaat over samen iets doen waarbij een initiatiefnemer faciliteert, maar niet per se zelf de inhoud van de website bepaalt.

Dit gaat zelfs zo ver dat bezoekers vrijwillig redactietaken op zich nemen. Let wel: dit is onbetaald werk waar ongemerkt veel tijd in gaat zitten. Mensen vinden het fijn om samen met andere mensen iets te ondernemen en zich onderdeel te voelen van een groter geheel.

Deze trend speelt niet alleen op kleine schaal in de privé-sfeer. Ook in het bedrijfsleven is co-creation een belangrijke trend. Hier wordt het dikwijls open innovatie genoemd. Door samenwerking bereiken bedrijven meer, tegen lagere kosten.

Doordat meer mensen online zijn en vooral meer online doen is er ook meer openheid gekomen in ieders persoonlijke leven. Dat leven ligt (gewenst of ongewenst) op straat. Er is minder privacy. Er is ook minder behoefte aan privacy. Dat ieder huisje z’n kruisje heeft is voor iedereen zichtbaar. En door deze openheid worden taboes meer dan ooit doorbroken.

In de web 1.0 wereld was openheid eng: “Stel dat iemand mijn weblog leest?” In web 2.0 is de reactie anders: “Hoe kan ik ervoor zorgen dat iemand dit leest?”

Twittergebruik binnen Octavalent

Twitter is een manier om anderen op de hoogte te houden van wat je bezig houdt. Omgekeerd kun je anderen volgen en zien wat zij allemaal uitspoken. Twitter is leuk, handig, maar vooral een erg raar fenomeen. Reden genoeg om er eens lekker mee te experimenteren.

Een aantal Octavalent-medewerkers twittert; de één meer dan de ander. Soms wordt getwitterd over het werk, maar vaker over privé-aangelegenheden. Octavalent als bedrijf twittert ook. Zowel als bedrijf als individu geven wij hiermee geïnteresseerden een kijkje in de spreekwoordelijke keuken.

Sommige managers vinden het op z’n zachtst gezegd spannend als medewerkers zich op internet uitlaten over het werk. Ik vind deze angst klinkklare onzin. Wanneer medewerkers (of klanten) publiekelijk klagen dan zal het management het er zelf wel naar gemaakt hebben. Daar kun je Twitter moeilijk de schuld van geven.

Twitter is geen alternatief voor persoonlijk contact. Wellicht tegen de verwachting in vullen de korte berichtjes het contact juist aan. Dit is niet alleen onze mening, maar we horen dit van vele anderen om ons heen. Er zijn zelfs een aantal wereldwijde studies uitgevoerd die deze conclusie onderschrijven.

Twitter is voor Octavalent gewoon een leuke manier om elkaar en onze klanten op de hoogte te houden van wat we doen én wie we zijn. Het brengt een persoonlijk tintje in een anders puur zakelijke relatie. Wel zo verfrissend.

Nooit meer met bestanden slepen

Ik praat niet op een te hoge toon. Mijn stem slaat al jaren niet mee over. En ik kan best goed met mensen overweg. Ja, ook met meisjes. Desondanks is het waar: in sommige opzichten ben ik een nerd. Waarom? Ik hou van computers.

Ik heb een enorme fetish voor harde schijven. Ik ben er gek op. Ik ben tegelijkertijd ook als de dood dat ik bestanden kwijt raak. Mijn back-up regime is daarom feilloos. Het pentagon is jaloers. En eens in de zoveel tijd lukt het mij tóch om bestanden spoorloos te laten verdwijnen. Dat zal mij nu niet meer overkomen. De oplossing is gevonden en heet Dropbox.

DropboxDropbox is een manier om documenten, foto’s en andere bestanden beschikbaar te hebben op zowel jouw computer als op internet. Het werkt als volgt. Wanneer je een document op de computer opslaat, dan kopieert Dropbox dat document geheel automatisch ook naar hun website. Alle bestanden op de computer worden zo automatisch zowel op jouw computer als op internet opgeslagen.

Ik stel mij een groot en donker gebouw voor vol snorrende servers. Met een slotgracht en heel dikke deuren waar geen vuur of water door kan komen. Daar staat een kopie van al jouw bestanden. Je kunt er op vertrouwen dat Dropbox veilig met jouw bestanden omgaat. Althans, dat denk ik. Als extra zekerheid is de toegang tot jouw persoonlijke bestanden natuurlijk ook beveiligd achter een wachtwoord.

Dropbox is simpel, elegant, vriendelijk en als allerbelangrijkste: het werkt precies zoals je zou willen. Zodra je besluit een document van de computer te verwijderen (bewust of per ongeluk) dan wordt het document door Dropbox nog een tijdje in backup gehouden. Handig toch? Zo kun je het makkelijk weer terugzetten.

Ook als de computer stuk gaat dan zijn alle bestanden veilig. Zo ben je er zeker van dat bestanden door verlies, diefstal of brand nooit kunnen kwijtraken. Mijn harde schijf kan gestolen worden. Maar mijn documenten en mijn tien jaar aan vakantiefoto’s raak ik nooit meer kwijt.

Mocht je niet bij jouw computer zijn, maar je hebt wel nét dat ene document nodig, dan helpt Dropbox ook. Je kunt via hun website inloggen en zo al jouw documenten bekijken. Op die manier heb je altijd al jouw documenten bij de hand.

Het mooie is dat je jouw bestanden op meer dan één computer beschikbaar kunt hebben. Installeer de software van Dropbox simpelweg op een tweede computer en Dropbox begint meteen al jouw bestanden vanaf het internet te downloaden. Het principe van Dropbox is simpel. Wijzig een document op de ene computer en Dropbox zorgt er voor dat de wijziging ook doorgevoerd wordt op je andere computer.

Zo heb ikzelf twee vaste computers en een laptop. Op elk van hen heb ik al mijn bestanden altijd volledig gesynchroniseerd bij de hand. Wel zo makkelijk en veilig.

Software-business-modellen

Disclaimer: Ik pretendeer met dit overzicht niet volledig of volstrekt accuraat te zijn. Deze tekst zal in de toekomst ongetwijfeld verbeterd worden. Suggesties zijn welkom.

De software-wereld is een wereldwijde miljarden-industrie. Overal ter wereld wordt software gebruikt. Miljoenen mensen verdienen er dagelijks een boterham aan. Het is wel zo dat de één dat succesvoller doet dan de ander. Daarom de vraag: waar valt nou precies het geld te verdienen en wat is de beste optie?

In de software-wereld zijn een groot aantal business-modellen mogelijk. De belangrijkste vormen zijn hieronder beschreven, met antwoord op de vragen: Wat is het? Wat zijn de kritisch succesfactoren? Wie heb je nodig? Wat verdient het? Let wel dat ze zijn beschreven als archetypes. In de praktijk worden ze natuurlijk niet strikt toegepast.

Een platform

Een platform is een defacto standaard zoals Windows, Unix of de iPhone. Er zijn twee manieren om een platform te ontwikkelen. Allereerst kun je in eigen ontwikkeling een grote investering doen waarna een even grote investering in marketing volgt. Een tweede weg loopt via een open source project.

Voor een platform is het krijgen van kritische massa essentieel. Een platform neemt in belangrijkheid toe naar mate het door meer mensen gebruikt wordt. Aanbieders van een platform hebben specialisten in dienst die het platform populair maken. Dit zijn zogenaamde software-evangelisten.

Geld verdienen aan een platform is niet eenvoudig. Het is evident dat een open source platform, waar velen vrijwillig aan meewerken, sowieso geen geld oplevert. De commercieële variant vereist een berg geld vooraf. Vaak zijn er meerdere bedrijven die op het zelfde moment een gelijksoortig platform ontwikkelen. En er kan er echter maar één de beste zijn. De risico’s zijn groot.

Applicaties

Een applicatie is software die een bepaalde specifieke functie vervult. Voorbeelden zijn Microsoft Word, een willekeurige iPhone app of een computerspel. Applicaties kunnen klein of groot zijn, gericht op consument of bedrijven. De meeste software waar mensen mee te maken hebben past in de groep applicaties.

Om zoveel mogelijk verkoopkansen te creëren is het belangrijk dat een applicatie op zoveel mogelijk platformen gebruikt kan worden. Voor het succes van een applicatie is een productmanager cruciaal. Deze persoon luistert naar de doelgroep en beschrijft wat de applicatie moet doen. Hij zorgt er voor dat de applicatie voldoet aan de specifieke behoeftes van de doelgroep.

Omdat een applicatie niet per definitie groot hoeft te zijn, is een kleine investering al voldoende. Een applicatie hoeft niet per se door veel mensen gekocht te worden. Doordat de initiële investering laag is, hoeven de omzetten niet spectaculair te zijn. Applicaties zijn voor programmeurs de makkelijkste manier om geld te verdienen.

Uurtje-factuurtje

Soms zijn bedrijfsprocessen dusdanig uniek dat standaardsoftware niet voldoet. Ook beparen bedrijven heel veel tijd door informatiesystemen aan elkaar te koppelen. Tijd is geld; investeren in systeemintegratie is nuttig. Maatwerk en systeemintegratie is echter niet makkelijk. Menige projectorganisatie heeft zich verslikt in de risico’s.

Simpelweg alleen software aanschaffen of laten maken is niet voldoende. De nieuwe software vereist een nieuwe manier van werken. Adviseurs en trainers helpen softwaregebruikers daarom bij het in gebruik nemen van nieuwe systemen. Dit doen ze formeel via een standaardtraining, of geheel afgestemd op de individu middels werkplekbegeleiding.

Mensenwerk volgt het businessmodel van uurtje-factuurtje. Het vereist een slimme verkoper die zijn mensen bij een klant weet te verkopen. De initiële investering is niet zo zeer geld, maar een uitstekend netwerk voor de verkoper en up-to-date kennis voor de verhuurde medewerker.

Geen initiële investering vooraf en hoge tarief zijn aanlokkelijk. En terecht. Middels mensenwerk is goed geld te verdienen. Het model is echter niet schaalbaar. Meer omzet betekend meer mensen. En dat betekent meer kosten en dito hoofdpijn. In vergelijk met een applicatie of een platform: meer omzet betekend in dat geval niet meer werk en dezelfde kosten.

Content

Tot slot zijn er de contentleveranciers. Van oudsher zijn dit uitgevers. Om wat voor reden dan ook hebben zij toegang tot belangrijke informatie. Ze zijn in staat informatie aan te bieden met een hoge kwaliteit tegen een relatief lage prijs. De postcodedatabase is een voorbeeld, net als actuele beurskoersen of nieuwsberichten. Let op dat deelnemers in een sociaal netwerk ook een vorm van content is. De waarde van LinkedIn is afhankelijk van de content, niet de software.

Een speciale groep zijn de zogenaamde data-cleansers. Dit zijn bedrijven die in staat zijn bestaande informatie van bedrijven op te schonen en aan te vullen. Uiteraard tegen een stevige prijs. Een voorbeeld is het controleren van adresgegevens voor een telemarketingactie.

Om in het pluche te blijven zitten hebben contentleveranciers en data-cleaners goede contacten. Maar wel degelijk blijven ze continu innovatief. Dat moet wel, want via crowdsourcing en de inzet van nieuwe technologieën is informatie steeds makkelijker beschikbaar. Ondanks alles blijft de volgende uitspraak ook in dit millennium waar: “Content is king.”

Conclusie

Wanneer je de mogelijkheid hebt om een platform neer te zetten, dan is dat absoluut de beste optie. Mocht dit te hoog gegrepen zijn, zet dan een applicatie in de markt. Kijk of je de applicatie in populariteit kunt laten groeien tot een platform. Content is king; dus geld waard. Tegenwoordig ontkom je er niet aan om naast een applicatie ook content te bieden. Voorgaande opties leveren op de lange termijn veel geld op. Maar er moet ook morgen brood op de plank liggen. Al is maatwerk, systeemintegratie, advies en training op de lange termijn niet het meest winstgevend, in veel situaties brengt het op korte termijn wel veel geld in het laadje.