Onthouden is een hele kunst

Op 12 oktober heb ik op de Universiteit Leiden een presentatie gehouden over de rol van de Dorsolaterale Prefrontale Cortex op het werkgeheugen. Hieronder vind je een uitleg in grove lijnen.

Stel je dat je iemand wilt bellen, maar je hebt zijn nummer niet. Je belt een vriend die het nummer wel heeft, hij geeft je het nummer, maar je kunt het niet opschrijven. Ken je die situatie dat je het nummer in je hoofd repeteert, snel ophangt en het nummer intoetst voor je het weer vergeten bent. Dat is je werkgeheugen aan het werk. Iets onthouden doe je niet met je tenen, maar met je hoofd. Of specifieker: met je hersenen. Dat kan een kind van zes je vertellen, en voor de meeste mensen is dat nauwkeurig genoeg. Er is een groep mensen die dat allemaal net iets precieser wil weten, en ik ben daar één van.

Je kunt de hersenen opdelen in een aantal stukken en het stuk waarin wij nu geïnteresseerd zijn is de neocortex. Dit is het stuk van de hersenen dat we duidelijk herkenen als hersenen, uit de film en van televisie. Het lijkt op bloemkool, maar dat is het zeker niet! De neocortex is eerder een tafellaken dat netjes opgefrommeld is waardoor allerlei plooien ontstaan. Muizen bijvoorbeeld hebben ook een neocortex, maar die is veel minder groot en zit daarom veel strakker over de hersenen. En om het compleet te maken; bij een aap is de neocortext ook geplooid, maar minder sterk dan bij mensen. De neocortex bestaat uit vier stukken (kwabben) waarvan de frontale cortex helemaal aan de voorkant zit, boven je ogen. De frontale cortex bestaat op zijn beurt weer uit drie delen (van voor naar achteren): de prefrontale cortex, de premotor area en in het midden van je hoofd zit de primaire motor cortex. Men name één onderdeel van de prefrontale cortex is belangrijk voor het onthouden: de dorsolaterale prefrontale cortext (DLPFC).  Dorsolateraal betekent aan de bovenkant en dan een stukje op zij. De DLPFC zit dus ongeveer bij je slaap.

Sinds de jaren 70 heeft men onderzoek gedaan naar ‘het onthouden’ en al snel bleek de DLPFC betrokken. Men kon meten dat er hersenactiviteit is als een proefpersoon iets moest onthouden. In het begin injecteerde men hiervoor een smerig chemisch stofje in het bloed van een proefpersoon en liet hem iets onthouden. Men volgde het stofje en vond consistent dat de DLPFC meer bloed nodig had tijdens het onthouden. Dat was aanleiding om te geloven dat de DLPFC actief betrokken is. Deze methode is natuurlijk hopeloos primitief. Tegenwoordig heeft men nauwkeurigere technieken. Door middel van efMRI kan men over een bepaalde periode precies de activiteit in een heel klein deel van de hersenen meten. Helaas kunnen we daardoor nog niet heel veel meer conclusies trekken dan 40 jaar geleden. Ja, de DLPFC is nog steeds betrokken bij het onthouden, maar hoe is een groot raadsel.

Denk je maar eens in wat je tijdens het onthouden allemaal doet: zien/horen/voelen/ruiken, interpreteren, opslaan, betekenis geven, zorgen dat je iets niet vergeet, juist wel vergeten, filteren, bewerken en omvormen, mogelijke acties bedenken, acties selecteren, acties voorbereiden en acties uitvoeren. En dan ben ik er waarschijnlijk nog een paar vergeten! Nog al logisch dat de DLPFC actief is tijdens het onthouden, er moet nogal wat gebeuren. Dat de DLPFC actief is wil dus helemaal niet zeggen dat het werk geheugen zich in dat gebiedje bevindt. Dat telefoonnummer dat je wilt onthouden kan gerust heel ergens in de hersenen opgeslagen zijn. Wie weet wat de DLPFC allemaal doet, misschien stuurt het alleen maar andere hersendelen aan. Daar kun je ook druk mee zijn!

Vroeger dacht men echt dat herinneringen in de DLPFC waren opgeslagen. Nu lijkt het erop dat dat niet klopt. Denk aan het herhaaldelijk hardop zeggen van een telefoonnummer dat je niet wilt vergeten. Beeld je nu in dat je in je hersenen alles doet om een telefoonnummer uit te spreken, alleen je beweegt je mond niet. Dat je het je het alleen in je hoofd zegt, en niet hardop. En bedenk nu wat er gebeurt als je het ook niet in je hoofd zegt. Stil hè? Je hoort het telefoonnummer niet, maar de DLPFC doet wel alles wat het eerst ook deed. Het bereidt de actie (het zeggen van het telefoonnummer) wel voor, maar voert het niet uit. Dan heb je het zelfde effect als het wel hardop zeggen (alleen minder sterk) en zo kun je iets voor korte termijn onthouden. Volgens deze theorie is onthouden dus eigenlijk niets meer dan het herhaaldelijk voorbereiden van een actie die je vervolgens niet uitvoert. Dat verklaart ook meteen waarom de DLPFC zo dicht tegen de motor cortex aanligt. Slim jongens, die hersenen!

Een bedrijf is geen democratie

Ik ben een groot voorstander van de democratie. Door eens in de zoveel tijd een nieuwe regering te kiezen, heeft een volk de mogelijkheid om de besturing van een land te regelen. Democratie werkt niet alleen voor landen, maar ook voor kleinere gemeenschappen zoals steden, dorpen en verenigingen. Maar zou het ook werken voor bedrijven? Deze vraag heeft lang door mijn hoofd gespeeld. Sinds enige maanden heb ik geconcludeerd dat dit niet nodig is en niet kan.

In een democratie wordt een groep vertegenwoordigers gekozen om voor een bepaalde tijd regie te voeren. Ze krijgen een mandaat van de leden van de gemeenschap. Iedere gemeenschap heeft namelijk iemand nodig om het management te doen. Vroeger was dit een koning, een keizer of een ander soort alleenheerser. Het probleem met deze situatie was dat deze persoon niet alleen het nodig management deed, maar ook de dingen die hem het best uitkwamen, zonder rekenschap af te hoeven leggen. Er waren geen checks-and-balances die er voor zorgden dat de macht ingeperkt was.

Jurgen Appelo schreef treffend: “Managementactiviteiten zijn net zo leuk als burgemeester zijn van een dorp met zes mensen, drie varkens en een kip. Het is niets speciaals. Het is iets dat gewoon  gedaan moet worden.” Iedereen die manager is kan dit beämen; management is inderdaad helemaal niet leuk. Je krijgt er werk, verantwoording en hoofdpijn van. Managers die geen rekenschap hoeven af te leggen zullen het management snel delegeren en zelf leuke dingen gaan doen. Golf, jagen op herten of, in naam van God, andere landen veroveren. Rekenschap afleggen is dus van essentieel belang.

Vanwege dit rekenschap kiezen veel organisaties voor democratie: landen, gemeenten, waterschappen, verenigingen, ondernemingsraden en vakbonden zijn slechts een handvol voorbeelden van democratieën. Waarom zou je dan van een bedrijf geen democratie maken. En inderdaad: een groot bedrijf is ook een soort democratie. Aandeelhouders hebben stemrecht op de aandeelhoudersvergadering. Dit stemrecht wordt vaak ingeperkt via certificaten op aandelen, maar dat is niet erg. Bedrijven zijn geen democratieën en hoeven dat ook niet te zijn.

De gegeven voorbeelden hebben één ding gemeen: het lidmaatschap van de gemeenschap waarover het management wordt gevoerd is in grote mate onvrijwillig. Denk aan een land. Als het je niet bevalt, dan zeg je niet plots: “Nou laat ik maar naar België gaan, daar is veel beter management.” Hetzelfde geldt voor de ondernemingsraad. Daar zit je nu eenmaal mee opgescheept. Binnen een bedrijf is één raad, en om te voorkomen dat deze misbruik maak van haar monopoliepositie moet zij rekenschap afleggen aan de leden.

Een bedrijf daarentegen heeft nooit een monopoliepositie. Als het je als medewerker niet bevalt, dan neem je gewoon ontslag en ga je ergens anders werken. En dat is – in Nederland – een prima manier om tirannieke managers te voorkomen. Democratie in bedrijven is niet nodig is, omdat lidmaatschap van gemeenschap niet verplicht is. Als het je niet bevalt, dan kun je weg.

Dan de verklaring waarom democratie in een bedrijf niet kan. Democratie is een methode om rekenschap af te leggen. Maar aan wie legt de manager rekenschap af. Aan de medewerkers? Nee, managers leggen rekenschap af hun manager, die op haar beurt uiteindelijk rekenschap aflegt aan de aandeelhouders. Medewerkers staan hier buiten en zijn om die reden geen partij in het kiezen van het management.

Software schrijven met Post-it’s

In de goeie ouwe tijd schreef men software op ponskaarten. Men ponste gaatjes in kaarten die door een computer werden vertaald naar elektronische nullen en éénen. Tegenwoordig gaat dat allemaal veel moderner, wij gebruiken Post-it’s. Om precies te zijn gebruiken wij de grote maat: Super Stiky met lijntjes, in verschillende kleuren: geel, roze, blauw, groen en oranje. Hier het verhaal achter onze Post-it’s.

Software schrijven is lastig. Dit komt vooral door de vele onzekerheden. Wat wil de klant precies? Hoe gaan we dat bouwen? Hebben we dit al eerder gedaan? Wie weet hier het meest van af? Wat zijn de risico’s? Zo zijn er honderden vragen. Om zicht te krijgen in de nevel is communicatie nodig. Al-met-al is het maken van software vooral een proces waarin communicatie heel belangrijk is. Voor de moderne professionele softwareontwikkelaar is codekloppen slechts een klein deel van het werk. Nu hebben ontwikkelaars één euvel. Ze hebben de neiging veel met de computer te willen doen. Het is dan ook logisch dat ontwikkelaars het afgelopen decennia probeerden zoveel mogelijk dingen in een computer op te bergen. Tekeningen, vragen van klanten, bug-meldingen, specificaties, planningen: alles moest de computer in. Nu blijkt dit niet te werken.

De nieuwste ontdekking is dat information moet uitstralen naar de omgeving. De engelse term is veel mooier: to radiate information. Net als een verwarming warmte uitstraalt, moet een informatiebron informatie uitstralen. En ja, dat gaat een beetje lastig als je informatie in een computer verstopt. Een bugdatabase wacht geduldig, en straalt helemaal niets uit. Een Excel-planning doet niets, zelfs niet als je hem zelf opent. En daar zit het probleem: informatie moet je tegemoet komen. Een voorbeeld: hang de projectplanning eens aan de binnenkant van de wc-deur. Dan weet je zeker dat iedereen hem tegenkomt, en leest. Dat is pas informatie uitstralen.

Wij hebben ontdekt dat informatie uitstralen het beste gaat met Post-it’s. Het leuke is dat je deze overal op kunt plakken. En als je dat in goede banen leidt dan komt de communicatie echt op gang. Zoals gezegd gebruiken we verschillende kleuren. Iedere kleur heeft een speciale betekenis. Groen en oranje reserveren wij voor respectievelijk successen en teleurstellingen. Deze hangen op borden in de centrale hal. Zo kun je aan collega’s laten zien dat iets heel goed gaat, of dat er verbetering nodig is. Alleen maar een ideeënbus ophangen werkt niet. Ideeën die in de ideeënbus belanden zijn niet meer zichtbaar. En het is nou juist de bedoeling dat je ideeën uitdraagt.

De kleuren blauw, geel en roze gebruiken we voor het werk wat gedaan moet worden. Hierbij starten we met de Epics, deze zijn blauw. Epics zijn de grove brokken werk waarvan de inhoud nog niet precies genoeg is beschreven. Epics worden uiteindelijk gesplitst in meerdere User Story’s. Deze schrijven we op gele Post-it’s. Nadat het werk is gedaan, is het mogelijk dat we nog onvolkomenheden moeten oplossen. Deze worden roze.

Het werken met Post-it’s leidt tot een kleurig festijn en hilariteit bij ontvangst van bezoekers aan ons kantoor. Het feit dat we deze werkwijze echter al meer dan twee jaar onveranderd volhouden is noemenswaardig. Deze manier van werken met Post-it’s is wellicht onconventioneel, maar werkt wel. Wij zijn er zeer tevreden over en kunnen het iedereen aanraden.

De Octavalent-ontwikkelstraat

Iedere dag werken we bij Octavalent hard aan de opdrachten voor onze klanten. Dat gaat niet zonder een goed proces en goede hulpmiddelen. Hierbij een beschrijving van dit proces. De nummers verwijzen naar de afbeelding.

  1. Sales & Marketing verwerft opdrachten.
  2. Deze opdrachten worden beschreven in User Story’s en bewaard in de Scrum Room.
  3. Iedere maandag worden de story’s voor de wekelijkse Sprint ingepland.
  4. Research & Development gaat vervolgens aan het werk om de User Stories op te leveren.
  5. Zodra een wijziging is gemaakt in de software wordt de nieuwe versie geplaatst in het versiebeheersysteem.
  6. Het versiebeheersysteem meldt het kwaliteitssysteem dat er een nieuwe versie is.
  7. Het kwaliteitssysteem verifieert of de nieuwe versie voldoet aan alle kwaliteitseisen.
  8. Bij problemen wordt Research & Development direct op de hoogte gesteld.
  9. Bij akkoord wordt de versie opgeslagen in de Release Store.
  10. De Release Store is  een archief van alle versies van de software (inclusief alle tussenversies en maatwerk voor klanten).
  11. Sales & Marketing kan middels het Deployment Dashboard zien wel versie van de software in welke omgeving is gepubliceerd.
  12. Sales & Marketing publiceert de nieuwe versie vanuit de Release Stores naar de Test en/of Preview Webservers.
  13. Na acceptatietests wordt de versie gepubliceerd naar de Live Webserver.
  14. De Test en Preview Webservers staan in Delft bij Octavalent op kantoor.
  15. De Live Webserver staat Op Schiphol in een beveiligd Datacenter.

Dit zijn de tools die we gebruiken:

  • Heel veel post-it’s voor de Epics, User Story’s en eventuele bugs
  • Scrumborden (dunne houten platen) waar we de post-it’s op plakken
  • Visual Studio 2010 Premium met ReSharper en VisualSVN
  • Subversion als Version Control System
  • CruiseControl.Net als Continuous Integration Server
  • De Release Store is gewoon een map op de fileserver
  • Het Deployment Dashboard is zelfontwikkelde software

Geld en geluk

De armen weten het al eeuwenlang: geld maakt niet gelukkig. Geld is de inspiratiebron van vele schrijvers, dichters en volksfilosofen. Geld wordt in de regel afgedaan als het slijk der aarde of in het Engels: the root of all evil. Als je de spreekwoorden gelooft is het beter om arm te zijn dan rijk.

Vanaf heden hebben we officieel bewijs dat dat deels klopt en deels grote onzin is. Onderzoekers van de Amerikaanse Princeton University concludeerden het volgende: “Het geluksgevoel stijgt met het inkomen, tot een plafond van 58.000 euro. Geld koopt tevredenheid, maar geen geluk”. Wie meer dan 58.000 euro heeft wordt niet blijer van een paar centen meer of minder. Maar voor het zover is, is het hebben van geld toch wel erg fijn. Van elke dag tobben over onbetaalde rekeningen wordt ook niemand vrolijk.

De onderzoekers relateren het hebben van geld aan geluk. Hiermee doelen zij niet op geluk als in het casino, maar op het gevoel van gelukkig zijn. Of, wederom het in Engels: the pursuit of happiness. Als het leven een doel zou hebben, dan is dat niet het verdienen van geld, maar het ervaren van geluk.

Geluk is iets immaterieels en wellicht zelfs spiritueels. Veel geld verdienen en financieel succesvol zijn, maakt niet automatisch gelukkig. Toch helpt geld behoorlijk. Als je moet huilen, dan liever op de achterbank van een limousine, dan op de achterbank van een Lada. Geluk ervaren betekent dat je ontspannen bent, kunt genieten van het leven en vertrouwen hebt in de toekomst. Het is een mentale staat die vereist dat je vrij bent van stress. En hij die geld heeft (zeg zo’n 58.000 euro) kan bepaalde sores afkopen en sommige verplichtingen vrijwillig kiezen.

Geluk ervaar je zodra je 100% tevreden bent met de verplichtingen die je hebt. Iemand die nooit tevreden is, kan sparen tot zijn dood en nog steeds geen geluk ervaren. Tevredenheid heeft daardoor niet voor iedereen dezelfde prijs en is voor sommige mensen onbetaalbaar. Definieer vermogen gerust als het aantal jaren dat je kunt leven in harmonie met je verplichtingen. Wie met weinig tevreden is, is dan letterlijk een vermogend mens.

Geld is tegenwoordig belangrijk, maar geen doel op zich. Wim Kan schreef het ultieme spreekwoord: “Geld is een pijnstiller, geen medicijn.”

Jij bent niet altijd de oorzaak

Laatst schreef ik het artikel ‘Heeft iemand je iets aangedaan.’ Hierbij het vervolg.

Er is echter nog een heel andere kant aan dit verhaal. Moet je altijd jezelf de schuld geven? Moet je altijd eerst heel duidelijke afspraken maken voor je een sociale omgang aangaat? Kun je bij voorbaat niemand meer vertrouwen? Mag je dan niets van de ander verwachten? Dat zou het leven een moeizaam gebeuren maken waarin je van onderhandeling naar onderhandeling gaat. Het zou in ieder geval een grote domper zijn op menig verjaardagspartijtje.

In het normale sociale verkeer mag je verwachten dat algemene omgangsnormen worden gerespecteerd. Al is dit een zeer rekbaar begrip. Het is belangrijk jezelf te betrappen op herhalende situaties zoals aan het begin van het vorige artikel beschreven. Woorden die wijzen op een structureel probleem zijn bijvoorbeeld: weer, opnieuw, altijd of nooit. Een vervelende situatie kan een keer voorkomen, maar na drie keer is er toch duidelijk een mismatch in wat beide partijen verstaan onder ‘algemene omgangsnormen ‘. Tijd voor actie.

Het verschil tussen verwachting en realiteit kan door heel veel factoren worden veroorzaakt. Enkele voorbeelden: a) de persoon, b) de situatie, d) de persoon in de situatie, c) de relatie die jij hebt met de persoon, enzovoort. Het is dan ook belangrijk om je gevoel te bespreken. En wel direct, onmiddellijk en nu (doen). Een mooi zinnetje is de volgende: “Als jij X doet, dan doet dit Y met mij, waardoor ik Z”. Je uit hiermee drie dingen: 1) dat de huidige situatie op de lange termijn niet is vol te houden, 2) dat je dat jammer vind en 3) dat je een oplossing wilt vinden. Hierbij is het goed de aanwezige (negatieve) emotie even terzijde te schuiven en de feedback dicht bij jezelf te houden. Zo voorkom je dat de ander zich aangevallen voelt.

Gebruik de reactie van de ander om te bepalen hoe jij verder wilt. Het is cruciaal om je te realiseren dat als een situatie herhaaldelijk voorkomt en ondanks vele pogingen niet verandert, de kans klein dat hij ooit zal veranderen. Wees niet te bang om met een situatie of persoon te breken en er uit te stappen. Wees je er echter van bewust dat als je zelf wel de oorzaak wat, je van de regen in de drup belandt.

Heeft iemand je iets aangedaan?

Ik moet weer overwerken. Mijn teamgenoot speelde opnieuw een slechte wedstrijd. Ik moet altijd de afwas doen. Die klant houdt nooit op met klagen. Dit zijn herkenbare situaties. Wellicht niet dagelijks en wellicht niet exact deze voorbeelden, maar iedereen kan zich er iets bij voorstellen. Nou oké: misschien ben jij die uitzondering die dit soort uitspraken nooit doet, maar dan is er vast wel iemand in je omgeving die wel eens zeurt. Zeuren lucht op, maar op de lange termijn is het erg disfunctioneel.

Mensen die zeuren hebben de sterke neiging om het probleem bij een ander te leggen. Ze vergeten echter dat er twee kanten aan het verhaal zitten. Aan de ene kant wordt je iets aangedaan. Aan de andere kant sta je toe dat de ander jou iets aan doet. De ander doet iets waar je niet blij van wordt en jij staat toe dat hij of zij dat mag. Deze realisatie is goed nieuws! Door het probleem bij jezelf te leggen buig je het gevoel van onmacht om in kracht. Zo kun je in actie komen en een verandering aanbrengen. Een voortdurend klagende klant (of baas of collega) is misschien niet jouw schuld, maar wel jouw probleem. En niemand anders is beter in staat om jouw problemen op te lossen dan jij zelf.

Neem bijvoorbeeld de klagende klant. Tot ’s avonds laat doorwerken en hij is nog niet tevreden. Niets is goed genoeg. Een klant die nooit tevreden wordt kent geen grenzen. En dat komt hoogstwaarschijnlijk omdat jij die nooit hebt aangegeven. De klant zal blijven proberen het onderste uit de kan te halen. En elke keer blijkt de bodem weer een stukje dieper dan de vorige keer. Wanneer je je eigen belang niet voorop stelt zul je vroeg of laat een burnout oplopen. Dit is een belofte. Dit zelfde geldt, zij het in andere vorm, voor die ene tante die op verjaardagen altijd voor iedereen loopt te rennen en te vliegen. Ook bij haar ligt overspannenheid op de loer. Zo zijn er talloze situaties te bedenken.

In dit soort situaties is er een verschil tussen verwachting en mogelijkheden. De klant verwacht veel meer van je dan je kunt. Die ene tante verwacht veel meer van zichzelf dan zij kan. Waar het om gaat is dat je duidelijke grenzen aan de verwachting stelt. Trek gerust een streep in het zand: tot hier en niet verder. Het niet stellen van grenzen komt voort uit angst voor de reacties van anderen. Men wil de ander alles geven wat hij vraagt (of neemt) en is bang voor afwijzing. Sociale afwijzing beukt een behoorlijke deuk in het ego, dus is de angst op zich terecht. Wees je echter bewust van de dynamiek die aan het werk is en kom voor jezelf op. Dat mag, en paradoxaal wordt niet alleen jij er beter van, maar de ander ook!

Zonder duidelijkheid over verwachtingen zijn er geen grenzen en wordt niemand blij. Bij het stellen van grenzen gaat het dus zeker niet om egoïsme, maar om een gezamenlijk belang. Het gaat erom dat je in harmonie met andere kunt leven en werken. Dat je er van op aan kunt dat afspraken (zowel expliciete en impliciete afspraken) worden nagekomen. En dat die harmonie op de langere termijn is vol te houden. Daar moet iedereen zich in kunnen vinden.

En dan nog: je mag voor je zelf opkomen en duidelijk je grenzen aangeven. De belangrijkste persoon in jouw leven ben je tenslotte zelf. Velen vinden dit erg lastig en veel te egoïstisch. Toch hoeft het helemaal niet egoïstisch te zijn. Het staat je vrij je leven toe te wijden aan anderen, alleen niet ten koste van alles en zeker niet ten kosten van jezelf. Als je niet goed voor je zelf zorgt, dan kun je dat ook niet voor anderen.

Mechanisering, automatisering en ICT

Mechanisering, automatisering en ICT hebben een hoop gemeen. Alle drie zijn ze erop gericht het leven en werken van mensen leuker, makkelijker en veiliger te maken. Ze zorgen er voor dat we met minder risico, spierkracht en denkkracht hetzelfde kunnen bereiken. Of andersom gezegd: dat je meer kan doen met de zelfde fysieke en mentale inspanning.

Door gereedschappen in te zetten wordt het menselijk lichaam ontlast. Mechanisering is al zo oud als de mensheid. De Neanderthaler gebruikte al messen om vlees in stukken te snijden en tegenwoordig is mechanisatie uiteraard niet meer weg te denken. Overal gebruiken we machines om te tillen, materialen te bewerken en nog veel meer. De informatiemaatschappij leidde tot de mechanisering van de informatieverwerking. Door machines (computers) in te zetten kon een hoop handmatig papierwerk uit handen worden genomen. De computers en digitale netwerken scharen we onder informatie- en communicatietechnologie (ICT).

Hoewel ik geen heilige discussie wil starten over semantiek, breng ik wel een andere visie op de termen mechanisering, automatisering en ICT. Automatisering betekent voor mij dat dingen automatisch gaan. Het proces gaat automatisch, of dingen binnen het proces gaan automatisch. Je hoeft er niet bij te zijn, geen actieve rol in te nemen of continu supervisie uit te voeren. Hetgeen je wilt bereiken, gebeurt automatisch met minimale kracht en denkvermogen. In die zin is automatiseren het effectief en efficiënt inzetten van mensen (organiseren) en middelen (mechaniseren).

De in de mechanisatie ingezette middelen zijn te scheiden in twee soorten. Enerzijds de middelen die helpen in het verplaatsen en transformeren van fysieke goederen (bijvoorbeeld: kranen, werktuigen en lopende banden). Anderzijds de middelen die helpen in het verplaatsen en transformeren van informatie (bijvoorbeeld: computers, printers, barcodescanners en datanetwerken).

Ik realiseer mij dat deze zienswijze alle huidige denkbeelden op zijn kop gooit. In het hedendaagse taalgebruik is ICT synoniem voor automatisering. Vraag maar aan de automatiseringsgids! Ik stel dat ICT onderdeel is van mechanisering dat op zijn beurt onderdeel is van automatisering. ICT is ontegenzeggelijk een zeer belangrijke component binnen automatisering, maar ze zijn niet hetzelfde. Automatisering is breder en heeft een uitdrukkelijk focus op procesoptimalisatie waaraan de organisatie en de middelen ondergeschikt zijn. Je kunt iets prima automatisch laten verlopen zonder ook maar één computer te gebruiken.

Bolwerk Microsoft in lastig parket

Als ondernemer met een softwarebedrijf en partner van Microsoft ben ik erg tevreden met de producten die de gigant in de markt zet. Veel software is gratis en zit erg goed in elkaar (als partner betalen wij in de praktijk alleen voor de professionele versies van Visual Studio en SQL Server). Microsoft doet het goed. Het .Net framework en de programmeertaal C# zijn een doorslaand succes en dankzij het succesvolle Windows 7 was de winst het afgelopen jaar weer extreem hoog. Als extra steun in de rug heeft Oracle, met de verwaarlozing van Java, Microsoft extra stevig in het zadel geholpen. Desondanks zit ook Microsoft als softwarebedrijf in een lastig parket.

Veel softwarebedrijven realiseren zich dat de komst van Open Source een bedreiging is en worden dienstverlener of bieden hun software als ‘SaaS-dienst’ aan in ‘de Cloud’. Een paar bolwerken blijven softwarebedrijf. Autodesk vraagt nog steeds 8.000 euro voor een licentie AutoCAD. Microsoft is eveneens een bekend bolwerk. Microsoft was, is, blijft en zal (ooit) ten onder gaan als softwarebedrijf. Het voert een eenzame strijd tegen de rest van de wereld en ziet de medestrijders stuk voor stuk opgeslokt worden door Open Source met een omzet van nul. Microsoft: as-van-het-kwaad en tegenwoordig de underdog.

Microsoft verdient geld bij gratie van de hardwareleveranciers (OEM) en dienstverleners (resellers) waarmee ze tegelijkertijd in economische oorlog is. Microsoft kan geen hardware gaan bouwen. Zodra ze dit doen stokt de samenwerking met de hardwareleveranciers die in plaats van Windows massaal Unix gaan uitleveren. Dienstverlening aanbieden gaat te kosten van de omzet van partners. Microsoft heeft altijd als strategie gehad om partners de projecten uit te laten voeren. Dit is een vertrouwensband waar Microsoft heel voorzichtig mee moet omspringen. De samenwerking met Accenture in dienstverlener Avenade is al op het randje.

Microsoft kan geen kant uit en wordt product voor product uitgehold. Van alle populaire software worden gratis versies geleverd: van Internet Explorer tot SQL Server Express. Het is de verwachting dat klanten overstappen van de Expressversie naar de betaalde versie. Het blijft spannend of dit freemium-model werkt. Microsoft leeft daarnaast bij de gratie van haar bestaande klanten die de monopolist liever zien gaan dan komen. Nieuwe klanten binnenhalen is een enorme klus. Of het nou gaat om bestaande markten (met een 95% marktaandeel) of nieuwe opkomende markten (waar 95% van de bevolking straatarm is).

Microsoft en anderen hebben een nieuwe bron van inkomsten gevonden: softwarepatenten. Met name in de Verenigde Staten is dit een big issue. In Europa bestaan softwarepatenten niet en de opkomende markten hebben wel andere problemen dan patentzaken. Patenten op bijvoorbeeld de manier waarop je een besturingssysteem afsluit worden door velen in het belachelijke getrokken. Misschien hebben ze gelijk, maar in een oorlog gaan nu eenmaal alle registers open. De aanval op Open Source via softwarepatenten is het enige verdedigingsmiddel dat de gevestigde orde heeft. Tegelijkertijd is het een vuile truc en een absoluut zwaktebod.

Zwitserse steden en dorpen

Jumbo hanteert voor haar spellen de briljante slogan ‘van 8 tot 88’. Dit om aan te geven dat een spel bestemd is voor alle leeftijden (tussen de 8 en 88 welteverstaan). Zwitserland heeft het imago een land te zijn voor bergfanaten waar alleen op wandelschoenen wordt gelopen. Dit valt mee. Ook Zwitserland is echt waar ook van 8 tot 88. Bij deze een overzicht van steden en dorpen in de vlakke dalen. Dit overzicht is gebaseerd op mijn eigen ervaring in voornamelijk Basel, het gebied tussen Bern, Luzern, Andermatt en Adelboden (het mooiste stuk van Zwitserland), Ticino en het oosten van Wallis. Deze steden en dorpen hebben voor ieder wat wils.

Grote steden
Zwitserland kent honderden kleine dorpen met vaak niet meer dan honderd inwoners (katten en kippen meegerekend). Het aantal grote steden is op één hand te tellen. Dit zijn: Basel, Zürich, Bern en Genève. Basel heeft het imago een vieze Duitse industriestad te zijn. En waar is waar: Basel heeft industrie. Maar daar merk je helemaal niets van als je in de prachtige oude binnenstad loopt. Basel is een dagbezoek waard. Voor wie houdt van beeldjes van iele mannetjes is het museum van Giacometti een aanrader.

Veel mensen denken trouwens dat Basel de hoofdstad is van Zwitserland. Ten onrechte, want dat is Bern. Bern heeft een aantal trekpleisters waardoor het een eervolle vermelding verdient. Het is een conglomeraat van dropen en stadjes. Het toerisme beperkt  zich echter tot de oude binnenstad tussen het station en de berenkuil. Die laatste is trouwens geen kuil meer, maar een hectarengroot (en miljoenenkostend) berenverblijf. Op YouTube is een overvloed aan filmpjes te vinden van de twee schattige pasgeboren beertjes.

Naast beren en vele winkels heeft Bern een aantal musea zoals het Alpenmuseum, het oude huis van Albert Einstein en de regeringsgebouwen. Zowel Bern als Basel zijn gebouwd in enigszins heuvelachtig gebied waardoor er mooie vergezichten over de stad zijn, maar soms ook naar boven en beneden gelopen wordt. Het openbaar vervoer is goed, maar de te overbruggen afstanden zijn vaak net te kort om uit te zoeken welke tram je moet hebben. De durfal kan bij het station van Bern een fiets lenen (met versnellingen).

Kleinere steden
Van de kleinere steden zijn Thun, Luzern, Brig, Sion, en Locarno een bezoek waard. In de kleinere steden in Zwitserland kun je over het algemeen parkeren, rondlopen, goed eten, een museum bezoeken om vervolgens weer door te trekken. Voor een meerdaags bezoek is er te weinig te doen. Iedere stad heeft zo zijn eigen bezienswaardigheid. Luzern heeft een lange houten brug, Sion en Thun hebben een kasteel en Locarno heeft zo een mooi plein waar aan het eind van de zomer het filmfestival gehouden wordt. De kleinere steden zijn alle te groot als servet, maar te klein als tafellaken. Desondanks (of wellicht juist daarom) leuk om er eens te zijn.

Dorpen
Zoals gezegd kent Zwitserland heel veel kleine dorpen. Het kleinste Ortschaft is Rosenlaui nabij Meiringen, met slechts drie huizen en een hotel. In de meeste bergdorpen heeft iedereen dezelfde achternaam. Beatenburg kent bijvoorbeel: bakker Grosniklaus, Inter Sport Grosniklaus, Hotel Grosniklaus, Garage Grosniklaus, enzovoort. Instinctief voelt dit nogal dubieus aan. Tegelijkertijd zegt het ook iets over de dorpen, hun isolement en ontstaansgeschiedenis.

Qua dorpen zijn er grote verschillen tussen de verschillende kantons. In Wallis is elk derde huis een hotel. Tenzij je het hebt over Brigerbad, daar zijn alle huizen hotels. Kortom: Wallis is commercieel, wat de sfeer niet ten goede komt. Het Berner Oberland trekt minstens zoveel toeristen als Wallis, maar heeft absoluut geen commerciële sfeer. En dat is wel zo prettig. De kantonnen in Zentral Schweiz hebben iets meer industrie, zonder dat dit stoort.

Iets grotere leuke dorpen zijn: Adelboden, Kandersteg, Interlaken, Grindelwald, Meiringen, Andermatt, Engelberg, en de Wallisser dorpen Zermatt en Saas Fee. De laatste twee wel met de opmerkingen dat je je moet voorbereiden op een culture shock. Zowel Meiringen, Brig en Kandersteg hebben een Schwimmbad (in de openlucht).