Sta op de schouders van giganten

Isaac Newton, de ‘uitvinder’ van zwaartekracht, schreef dat hij zijn ontdekking slechts kon doen omdat hij stond op de schouders van giganten. Newton bedoelde hiermee dat hij de inzichten die hij had, alleen kon hebben omdat andere hem voor waren gegaan. Newton was ontegenzeggelijk een slimmerik. Hij was zelfs zo slim dat hij begreep dat er nog meer slimmeriken rondliepen. Mensen zoals Descartes of bijvoorbeeld zijn rivaal Hooke. Newton gebruikte de inzichten van zijn voorgangers én concurrenten als basis voor zijn werk.

Newton was iemand die rondkeek, ideeën combineerde en daarmee aan de slag ging. Ik kan mij tegelijkertijd levendig voorstellen dat de man verschrikkelijk eigenwijs was. Desondanks omarmde hij de wijsheid van andere. En terecht. Door te staan op de schouders van giganten kun je meer bereiken dan door zelf het wiel uit te vinden. Andere zijn je voorgegaan, zij hebben hun ervaring opgeschreven en die kennis ligt vandaag voor iedereen voor het oprapen.

Opgeschreven kennis en ervaring van anderen vormt de basis van onze hedendaagse onderwijs en wetenschap. Maar wat kun je nou met een ervaring van een ander? In hoeverre is kennis waardevol voor jouw situatie? En wélke ervaringen van anderen zijn relevant? Dit zijn stuk voor stuk lastige vragen waar velen op vast lopen. Er zijn zoveel mensen die hun ervaring hebben opgeschreven, en over zo veel uiteenlopende onderwerpen. Soms schreef men vanuit een heel persoonlijke ervaring, soms vanuit empirisch wetenschappelijk onderzoek. De conclusie is dat niet alle opgeschreven kennis generaliseerbaar is naar jouw huidige bestaan.

Dit maakt het voor velen lastig om theoretische kennis tot zich te nemen. Theorie is vaak een ver-van-mijn-bed-show: mooi verhaal, maar in mijn situatie kan ik er niets mee. Of: ja hoor, daar geloof ik dus niets van, mijn ervaring is anders. Er is ook zoveel theorie; waar moet je beginnen? Vroeger had je één boek: de Bijbel. Die kon je bestuderen, dan wist je alles. Tegenwoordig heb je meer dan één mensenleven nodig om Wikipedia te lezen. De grootste problemen bij het opdoen van theoretische kennis zijn daarom deze twee vraag: waar begin ik en hoe zorg ik ervoor dat de leerervaring positief stimulerend is?

Dat een mens kan leren komt trouwens door de interessante eigenschap dat we niet alleen onze eigen ervaringen kunnen onthouden. De mens kan ook ervaringen van anderen onthouden en daar naar handelen: zie een anderen zijn vingers branden en ook jij blijft de volgende keer van die kaars af. Ervaringen van anderen worden echter minder sterk in ons systeem geïntegreerd. Het opnemen van theoretische kennis (geleerd van anderen bijvoorbeeld via het lezen van een boek) werkt veel sterker als je die kennis kunt koppelen aan eigen ervaring. Kennis die wordt opgedaan, maar niet in de praktijk wordt gebracht, komt minder sterk binnen en verliest bovendien snel zijn kracht en waarde.

Daarmee hebben we het derde probleem te pakken: hoe zorg je dat kennis beklijft? Het continu combineren van theorie en praktijk is daarvoor dus cruciaal. En daarmee is het enorm belangrijk om goede afwegingen te maken bij het opdoen van kennis: heb ik nu de tijd en motivatie om deze kennis op te doen én er in de praktijk mijn eigen ervaring aan te koppelen zodat de theorie effectief in mijn systeem wordt geïntegreerd. Theorie en praktijk opdoen kost veel tijd. Besteed die tijd wijs; kies onderwerpen die nu relevant zijn en bewaar andere onderwerpen voor later.

Het opdoen van nieuwe kennis is geen eenvoudig proces. Het kost geduld, volharding, doorzettingsvermogen en oefening. Maar naarmate je meer kennis en ervaring hebt opgedaan zul je makkelijker nieuwe theoretische kennis kunnen koppelen aan bestaande ervaringen en zal het integreren eenvoudiger worden. Ook leren kun je leren.

Scrum release notes

Iedere week werken software-teams hard om hun product te verbeteren. Ze maken bestaande functies makkelijker in het gebruik en voegen nieuwe functies toe. Of je software bouwt ten behoeve van een bepaald klant of voor heel veel klanten, feit is dat de software iedere week beter wordt. Dit is voor alle gebruikers goed nieuws. Ten eerste betekent meer functionaliteit meer waar voor je geld. Ten tweede, en zeker niet minder belangrijk, heeft de gebruiker een beter gevoel bij een product waar continu aan ontwikkeld wordt.

Release notes zijn een uitstekend middel om nieuwe ontwikkelingen te communiceren. Door stories expliciet te schrijven in communiceerbare release notes kom je een heel eind. Middels release notes kun je uitdrukken dat (en hoe) het product continu wordt verbeterd en uitgebreid – zowel grote als kleine verbeteringen.

Ik ben er van overtuigd dat het cruciaal is om gebruikers voortdurend en nauwkeurig op de hoogte te houden van nieuwe ontwikkelingen. Het blijkt soms lastig om expliciet te benoemen waar en hoe een product verbetert. Je kent de shampoo-flessen wel: “Nu, met verbeterde formule”. Wat voor shampoo geldt, geldt ook voor software. Expliciet is vaak beter. Na tien weken is het echter lastig te benoemen wat je in week één nou precies gedaan hebt.

De scrum-methode heeft als voordeel dat veranderingen in software gedocumenteerd zijn in stories. Story’s schrijven als release notes dwingt ook om van tevoren duidelijker te bedenken welke klantwaarde de story representeert. Zodat als de story geïmplementeerd is deze verbetering direct kan worden gecommuniceerd. Iets meer werk vooraf, maar een stuk minder werk achteraf.

Bewust bekwaam en post-conventioneel

Jurgen Appelo schreef een artikel over de drie fases van creativiteit. Hij beschrijft: pre-conventioneel, conventioneel en post-conventioneel. Een jong kind is pre-conventioneel. Het tekent ogenschijnlijk met een grote mate van creativiteit, zonder rekening te houden met de werkelijkheid en geldende conventies. Een iets ouder kind heeft de conventies van de werkelijkheid leren kennen en ziet de limieten van wat mogelijk is. Het tekent conventioneel.

Een (jong)volwassene kent de grenzen van de realiteit en sommigen kunnen daar overheen stappen. Hij/zij tekent dan post-conventioneel. Jurgen bepleit dat het aan de manager is om medewerker te begeleiden naar post-conventioneel opereren. Al veel langer is bekend dat mensen zich ontwikkelen van onbewust onbekwaam naar bewust bekwaam. In welke vaardigheid dan ook. Is het mogelijk om parallellen te trekken tussen beide concepten?

Een kind in de pre-conventionele fase is onbewust onbekwaam. Onbewust onbekwaam betekend dat je je niet bewust bent van je eigen onvermogen een taak uit te voeren. Dit komt doordat je niet weet hoe je een taak goed moet uitvoeren. Daardoor ontstaat een naïef gevoel van competentie. Je weet niet wat je niet weet, omdat je de conventies niet kent. Je bedriegt jezelf. Voor een kind dat een mooie tekening maakt is dit niet erg. Voor een ondernemer en zijn bedrijf is dit gebrek aan inzicht en feedback fataal.

Het leerproces gaat verder zodra je je bewust wordt van je eigen onbekwaamheid. Dit leidt tot angst en apathie totdat oefening en begeleiding je bewust bekwaam maakt. Dit betekend dat je bekwaam bent in de vaardigheid, maar de handelingen wel heel bewust moet uitvoeren. Dit is het begin van de conventionele fase. De conventies, grenzen en middelen zijn bekend. Alleen de presaties zijn nog onder de maat. De effectiviteit is goed, alleen de efficiëntie te laag. Door oefening wordt het stadium van onbewust bekwaam bereikt. In dit stadium gaat hetgeen je wilt doen als vanzelf; zonder er over na te hoeven denken.

Het doel in het bewust-bekwaam-leermodel is om onbewust bekwaam te worden. Betekend dit dan ook dat de onbewust-bekwame persoon in de post-conventionele fase zit? Ik denk het niet. Onbewust onbekwaam komt goed overeen met pre-conventioneel. Bewust onbekwaam en bewust bekwaam komen goed overeen met conventioneel. Onbewust bekwaam kan zowel conventioneel als post-conventioneel zijn. Iemand die activiteiten op de automatische piloot uitvoert kan nog steeds zeer conventioneel handelen. Post-conventioneel handelen (en denken) vereist nog een extra component.

Voor post-conventioneel handelen is het belangrijk dat de vaardigheid en conventies goed bekend zijn. Je moet weten wat mogelijk en acceptabel is. Maar daarnaast is het belangrijk om iets te doen wat anderen niet doen. Om verder te gaan dan de standaard geledende normen. Er is een combinatie nodig van effectief, efficient en onconventioneel zijn. Post-conventionele handelen vereist naast bekwaamheid ook leiderschap en bravour. Ook in situaties waar dit betekent dat je anderen tegen de borst stuit. Deze fase heet dan ook niet voor niets post-conventieel.

Actieve en passieve vragen

Eind vorig jaar schreef ik de goed gelezen postings over gedragsverandering met een moodboard. Ik beschreef dat als je doelen wilt halen, dit een verandering van je gedrag vereist. Die verandering kun je meten door jezelf vragen te stellen. Bij het verzinnen van vragen merk je dat er twee soorten vragen zijn: vragen die betrekking hebben op iets wat je actief doet en vragen die aangeven of je iets passief krijgt.

De trap nemen is iets wat je actief doet. Op de weegschaal staan ook. Zien dat je gewicht onder een bepaald aantal kilo’s is, is iets passiefs. Op een dag overkomt het je. Ondanks dat je er hard voor gewerkt hebt. Het winnen van de loterij is ook iets wat je overkomt (passief), maar je moet er wel iets voor doen: loten kopen (actief).

De actieve en passieve vragen staan met elkaar in verband. Des te meer ‘ja’ je antwoordt op de actieve vragen (dat wat je doet), des te meer ‘ja’ je antwoord bij de passieve vragen (dat wat je bereikt). Wat je doet bepaald wat je krijgt.

Werken tot je 67 is onmogelijk

De Nederlandse regering denkt er erg aan om de AOW-leeftijd te verhogen. Hierdoor zal iedereen moeten werken tot zijn 67e. Op zich ben ik voor. Mits deze maatregel samengaat met een pakket maatregelen die er voor moet zorgen dat mensen op 67-jarige leeftijd daadwerkelijk een nuttige bijdrage kunnen leveren. En dat is denk ik een lastige (zo niet onmogelijke opgave). Zeker voor de nieuwe generatie kenniswerkers.

Zonder wetenschappelijk onderzoek durf ik te stellen dat de meest productieve jaren voor een gemiddeld persoon liggen tussen het 25e en 45e levensjaar. Zonder twijfel is deze bandbreedte per beroepsgroep anders. Desondanks is het logisch dat jongeren nog een hoop moeten leren voor ze echt productief worden. Naast het feit dat ouderen ontdekt hebben dat er meer is dan werken alleen heeft deze groep een aantal hindernissen.

Ouderen hebben last van fysiek beperkingen; ouderdom komt met gebreken. Van je 17e tot je 67e stratenmaker zijn mij vrijwel onmogelijk zonder je rug volledig in de vernieling te draaien. Onze volksvertegenwoordigers in Den Haag begrijpen dit gelukkig en tonen coulance door te denken aan een uitzondering voor ‘zware beroepen’.

Een tweede probleem waar ouderen mee kampen is een kennisachterstand. Laten we eerlijk zijn. Op je 60e is de HAVO al weer 45 terug in de tijd. En die universitaire titel is niet meer dan dat: een titel. Goed dat je dat ooit gehaald hebt, maar zonder up-to-date kennis en praktische ervaring voegt een 65-jarige kenniswerker in onze kenniseconomie niet veel toe. Het zal mij niets verbazen als een ervaren grijze kracht het in een sollicitatie dubbel en dwars aflegt tegen een sluwe kwieke dertiger. Of dit eerlijk is of niet.

Daarmee is het te simpel om de bal bij werkgevers te leggen. Een onderneming draaiende houden is al lastig zat en een bedrijf is geen charitatieve instelling. Nee: het is een eigen verantwoordelijkheid om toegevoegde waarde te hebben, nu en in de economie van de toekomst. De Engelsen hebben hier een mooi woord voor: employability. Dat je zelf zorgt dat je van waarde blijft voor werkgevers.

Dat ‘kennis bijhouden’ kan over het algemeen heel goed door binnen de organisatie bij te blijven en persoonlijk te blijven groeien. Desondanks zit hier een limiet aan. Niet iedereen kan guru of topmanager worden. En dan nog heb je cursussen nodig om nieuwe kennis op te doen. Cursussen volgen is echter heel erg duur. En een tweede universitaire studie al volledig onbetaalbaar. Zonder in details te treden mag ik verklappen dat dit je zo 8 jaar van je leven en 120.000 euro aan spaarcenten kost. Die kun je dus beter in een vervroegd pensioen stoppen.

De primaire verantwoordelijk van iemands carrière blijf desondanks bij de kenniswerker zelf liggen. Afgezien daarvan zou het goed zij als de regering het voor kenniswerkers mogelijk maakt om hun kennis bij te houden. Bijvoorbeeld door cursussen sterker te promoten en te subsidiëren. Mochten de Haagse dames en heren hier geen oplossing voor hebben, dan vrees ik dat we er een groot aantal beroepen bij krijgen die je na je 60e niet meer kan uitvoeren. Wordt ‘kenniswerker’ dan ook een zwaar beroep?

Verwachtingen van een hotel

In de psycholgie wordt onderscheid gemaakt tussen satisfiers en dissatisfiers. Disstatisfiers zijn die elementen die er moeten zijn als je wilt voorkomen je ontevreden bent. Je wordt niet gelukkig als ze er zijn, maar je wordt er wel ongelukkig van als ze ontbreken. Het zijn de noodzakelijk randvoorwaarden. Aan de andere kant werken satisfiers precies andersom. Ze maken je bij afwezigheid niet ongelukkig. Maar als ze er wel zijn dan wordt je daar wel gelukkig van.

Een hotel is er in de basis om te slapen, te douchen en te ontbijten. Dit zijn de dissatisfiers. Als één van deze faciliteiten niet of onvoldoende wordt aangeboden is het verblijf niet naar tevredenheid. Al zijn de douchkoppen van goud of krijg je geld toe bij een overnachting. Het heeft geen nut om als dienstverlener satisfiers aan te bieden als de dissatisfiers niet op orde zijn.

Van een hotel verwacht je minstens dat er goed kunt slapen. Van de tijd die doorbrengt in een hotel lig je minstens de helft op bed. Met je ogen dicht. Bewustenloos. En als je dan weer op staat wil je een uitgerust gevoel hebben. Voor een hotel is deze opgave moeilijker dan op het eerste gezicht lijkt. De plaats waar iemand slaapt (normaal zijn eigen slaapkamer) is van groot belang bij het in slaapvallen.

De stimulus-response theorie leert dat iemand die ’s avonds zijn eigen slaapkamer binnenkomt automatisch slaap krijgt. De ervaring van ‘slaapkamer binnenwandelen’ is gekoppeld aan de reactie ‘slapen gaan’. Bij een andere kamer is deze reactie minder groot. Ook niet bij een andere slaapkamer. En zeker niet bij een hotelkamer. En dat is alleen nog maar het psychologisch effect van de kamer!

Tel bij dit psychologisch effect alle ander aspecten op en de pret is compleet. Denk aan het te harde (of te zachte) matras, het gebrek aan kussens of de sensatie van lakens in plaats van een dekbed. Desondanks kan een hotel een goede poging wagen om te zorgen voor een fatsoenlijk matras, voldoende kussens – één harde en één zachte per persoon – en een dekbed in plaats van lakens (al kun je daar nog over twisten).

Naast het bed zijn er meer factoren die helpen bij een goede nachtrust. Een stille ruimte bijvoorbeeld. Dit begint bij de ramen. Deze moeten goed dicht kunnen en geluid buiten houden. Dichte ramen betekend dat alle geluid van buiten niet meer binnen hoorbaar is. En ja, ventilatie wordt dan inderdaad een probleem. Het is dus nog beter om het hotel te bouwen op een plaats waar buiten geen lawaai is (al heb je niet alles in de hand). Als hoteleigenaar kun je er op z’n minst voor zorgen dat het hotel zelf geen lawaai maakt. Hierbij denk ik aan luide airco-installaties. Deze kunnen gewoon op het dak staan, in plaats van onder het slaapkamerraam.

Als alles buiten stil is, verhuizen we naar binnen. De wanden dienen voldoende geïsoleerd te zijn zodat je de buren niet hoort. Ook niet als ze gaan douchen of zich bezig houden met spelletjes die alleen voor volwassenen bedoeld zijn. De deur naar de gang dient ook geisoleerd te zijn. Een strip onder de deur, en tapijt in de gang helpen. Stom genoeg helpt fel licht in de gang ook. Gangbewandelaars voelen zich minder genoodzaakt luide gespreken te voeren als ze in fel licht – en licht beschonken toestand – naar hun kamer lopen.

En zo komen op het laatste storende element: de koelkast. Hoe goed bedoeld deze onderkoelde vriend ook is, hij maakt herrie. En dat is jammer en onnodig. Allereerst kun je jezelf afvragen voor wie de minibar is. Voor jou als gast – als service – of voor de omzet van hoteleigenaar. Afgezien daarvan mag een koelkast een gast niet uit zijn slaap houden. Zodra ik op een hotelkamer een koelkast zie dan ga ik standaard op zoek. Op zoek naar een stekker die ik er dan per direct uittrek.

Nu het bed lekker slaapt en de kamer stil is kunnen we naar het volgende en laatste kriteria: donker. Het moet mogelijk zijn de kamer te verduisteren. En dan bedoel ik: compleet te verduisteren. Of je dit als gast nu wilt of niet, het moet mogelijk zijn. Een simpel lapje voor het raam volstaat niet. Een rolgordijn wat het complete raam lichtvrij afsluit volstaat wel. En als wekkerradio… liever geen groen display. Rood is veel prettiger. Misschien ben ik nu aan het zeuren, maar het is een eenvoudige keuze die niets extra kost (aan geld of moeite) en het comfort voor de gast een tikje hoger maakt. Kleine moeite met wellicht een groot plezier.

Over de douche kan ik kort zijn: warm met een goede straal zonder dat de rest van de badkamer ook gelijk nat is. Dat is namelijk niet de bedoeling. Een eenvoudig douchgordijn volstaat om dit laatste doel te behalen. Het ontbijt kan evenzo kort behandeld worden. Ook dit moet er gewoon zijn. Daar kun je niets aan verklooien. Een paar boterhammen, bolletjes voor de liefhebber, wat musli en crusli en voilá. Een kind kan de was doen.

Klaagzang op hotels

Binnenkort is het weer zover: over anderhalve week ga ik op vakantie. Ik hou er van om rond te trekken, 18 dagen met wellicht evenzoveel hotels. Soms zijn hotels prima, vaak gaat het mis! Waarom is het nou zo lastig om een bezoeker een bed te bieden en een dak boven zijn hoofd? Zoveel heeft een toerist echt niet nodig: een bed waar hij droog, stil en donker kan slapen is al voldoende. Ja, en een douche in de ochtend, en een ontbijt. Maar dan zijn we er ook wel. De rest is luxe. Die komen pas aan bod als de basis goed is. Laten we daar mee beginnen.

Vorig jaar maakte ik de slechtste nacht van een lange reeks hotelovernachtingen mee. We rijden vanuit Italië richting Zwitserland. We besluiten net voor de Zwitserse grens een hotel te zoeken (Italië is goedkoper dan Zwitserland). Het is al donker als we op zoek gaan. Pikdonker, goed dat mijn auto lichten heeft. In een dorpje – naar verwachting het laatste dorpje voor de grens – zien we een restaurant met een Zimmer frei. Prima, we stoppen en vragen of er plaats is.

De dame achter de tap is vriendelijk, maar spreekt alleen Italiaans. Geen woordje Engels of zelfs maar Duits. Geeft niets, een evenzo vriendelijke meneer aan één van de tafeltjes in het café treed graag op als tolk. De kamer blijkt vrij en kost 35 euro. Of we hem willen zien? En hier gaat het dus al mis. Of we hem willen zien? Instinctief weet ik dat we toch geen nee meer zeggen. De auto is gestopt, wij zijn uitgestapt, we hebben nu geen zin meer om verder te zoeken. We nemen de kamer.

De kamer is authentiek. Dat moet gezegd. Het bankstel mag opnieuw bekleed worden. Ik schat dat het bankstel antiek is, in ieder geval meer dan honderd jaar oud. Je kan er niet op zitten zonder door te zakken. Het neemt alleen maar ruimte in, het ding is een sta in de weg. Een authentieke antieke sta in de weg. Het is een stuk meubilair wat letterlijk ‘over’ was. Niemand wilde het hebben; nou zet het hier dan maar neer.

Verder staat er een tafel. Het net authentiek tafelkleed doet een goede poging te verhullen dat de tafel in werkelijkheid een ordinaire tuintafel is. Charmant en zo enorm niet in stijl. Desondanks is het het enige stuk meubilair wat niet uit elkaar valt als je er naar kijkt. Waarschijnlijk omdat het gemaakt is van één bonk plastic. Over het bed kan ik kort zijn en hoef ik niet uit te wijden: het is een plank met een flinterdun matrasje. Mijn rug doet zeer van het liggen. En dat is best knap.

De geluidsoverlast van het café onder onze kamer valt mee en dooft snel uit. Gelukkig wordt het caférumour snel overgenomen door een aantal tieners die tegenover het hotelletje druk met elkaar de afgelopen dag nog eens doorspreken. Zodra de dag besproken is volgt de dag van morgen, overmorgen de komende week. Het lijkt alsof ze hun hele leven doorspreken. Er komt geen eind aan. Om één uur is het stil. Tot een uur of zes, want dan komen de auto’s alweer voor het hotel langsrazen. Vijf uur rust moet voldoende zijn, toch? Nou, niet bij mij. Dan maar er uit en douchen. Het water is koud. Gatverder.

Met tegenzin voldoen we de rekening en gaan we weer op weg naar het volgende hotel. Er is altijd die hoop dat het volgende hotel wel begrijpt wat een gast zoekt: een goed bed om lekker in te slapen, een warme douche in de ochtend een fatsoenlijk ontbijt. Is dat nou zo lastig?

User stories in 11 stappen

Disclaimer: deze post is wellicht alleen begrijpbaar als je bekend bent met software-ontwikkeling op basis van de SCRUM methode. 🙂

Om het verwerken van stories en de communicatie te verbeteren hierbij een recept.

  1. Kies die story die niemand sneller en beter kan dan jij
  2. Ga rustig zitten filosoferen over de betekenis en mogelijke oplossingen
  3. Bij beschikbaarheid, of enige twijfel: roep de product owner
  4. Roep je code partner *) en bespreek de oplossingen en aanpak
  5. Voer een korte doch pittige discussie met je code partner
  6. Maak een afspraak met je code partner over wat je ga doen
  7. Doe wat je heb afgesproken (dit is het leeuwendeel van het werk)
  8. Zodra je beren op de weg tegenkomt: ga terug naar stap 3
  9. Bij afronding roep je je code partner en doe je een code review
  10. Verbeter en refactor de code waar nodig na de code review
  11. Commit je code en zet de initialen van je code partner in de comments

*) Een code partner is een persoon met wie je samen werkt. Dit is vergelijkbaar met Pair Programming.

De productiviteit van softwareontwikkelaars

Het ontwikkelen van software is voor leken vaak een mythische aangelegenheid. Jongens met t-shirts en brillen zitten dagen achter elkaar achter een computer ingewikkelde tekens in te kloppen. Ze stoppen alleen voor cola en pizza. En als je maar lang genoeg wacht dan is de software plotseling klaar. Degene die eerder met ontwikkelaars werkten, weten dat het zo niet gaat.

Programmeurs zijn serieuze  mannen die serieus met hun vak bezig zijn. Ja, er zijn in de westerse wereld relatief weinig vrouwen die software maken. Ontwikkelaars hebben in de afgelopen decennia geleerd dat de buitenwacht een beetje transparantie op prijs stelt. Die combinatie van professioneel werken en de vraag naar openheid heeft geleid tot een scala aan manieren waarop de opdrachtgever mee kan sturen in het ontwikkelproces. Maar hoe meet je nou of een ontwikkelaar productief is?

Productie wordt vaak uitgedrukt in stuks per uur, als in: een persoon plukt 20 kilo tomaten per uur. Productiviteit kun je dus uitdrukken in de hoeveelheid output die je krijgt bij een bepaalde hoeveelheid input. Werkt dit ook voor programmeurs? Wat produceren ontwikkelaars dan, wat is hun output? Een aantal mogelijkheden: het aantal regels code, het aantal computerprogramma’s of bijvoorbeeld het aantal nieuwe functionaliteiten of verholpen bugs.

Volgens Microsoft oprichter Bill Gates is het meten van productiviteit in regels code een onzinnige exercitie: “Measuring software productivity by lines of code is like measuring progress on an airplane by how much it weighs.” Een groot programma heeft inderdaad veel regels code, maar veel regels code wil niet zeggen dat het programma groot is. Het kan ook gewoon slecht ontworpen zijn. En daar komt nog bij dat het aantal regels code de opdrachtgever niets zegt.

Softwareontwikkelaars produceren geen regels code, maar functi0naliteiten. En die kun je tellen. Je kunt heel grof het aantal tellen, en je kunt dit verder verfijnen door functionaliteiten in te delen in groepen: klein, middel en groot. Als je een stapje verder gaat kun je iedere functionaliteit een waardering geven. Bijvoorbeeld van 1 tot 100. Zo heb je een kleine functionaliteit van 12 punten en een grote van 64. Samen goed voor een productie van 76. En als de ontwikkelaar daar 4 dagen mee bezig is geweest dan is zijn productiviteit 19 punten per dag.

Deze methode lijkt bijzonder (dat is hij ook), maar wordt eigenlijk al heel lang toegepast. Vroeger noemde men dit een functiepuntenanalyse, de tegenwoordige veel hippere term is scrum-punten. En dan maar zeggen dat programmeurs niet trend-gevoelig zijn! Hoe je het ook noemt en wat de subtiele verschillen ook mogelijk zijn, het idee is het zelfde: presenteer een functi0nele vraag aan ontwikkelaar en vraag hem hoeveel punten de bouw kost. Aan de hand van bepaalde tellingen kan vrij nauwkeurig een aantal punten worden bepaald.

Een softwareontwikkelaar levert functionaliteiten op waarbij de hoeveelheid uitgedrukt wordt in punten. Dit meet je iedere week om een gevoel te krijgen van de productiviteit. En daarmee dus ook wat de productie voor de komende week zal worden. Door met punten te werken is het mogelijkheid om redelijk exact te schatten hoeveel werk er af kan komen in een bepaalde periode. Of omgekeerd: hoeveel tijd nodig is om een bepaalde functionaliteit te bouwen.

Deze verbluffend simpele truc werkt in de praktijk erg goed en steeds meer ontwikkelaars passen hem toe. Te crux blijft echter zitten in het continu meten om een goede statistiek op te bouwen. Meten is weten.

Loon naar werken

In veel Nederlandse bedrijven is een werkweek van 40 uur de norm. Er zijn werkgevers die verwachten dat werknemers hier flexibel mee om gaan. In hun richting gerekend uiteraard. Daarnaast zijn er grote aantallen werknemers die het niet zo nauw nemen met de 40-uren-norm en geregeld meer uurtjes maken en zelfs werk mee naar huis nemen. Apart.

Is het terecht dat medewerkers meer uren maken dan contractueel verplicht? Wanneer je kijkt naar landen om ons heen, en dan met name naar onze linkerburen, dan lijkt Nederland een heel lui land. In Londen is een uitgebreide werkweek eerder norm dan uitzondering.

Het structureel overwerken is een interessant fenomeen. Ik ken bijvoorbeeld geen werkgevers die structureel meer salaris overmaken dan afgesproken. Dat lijkt mij het zelfde, al is het omgekeerd geredeneerd. Wanneer het gaat om arbeidsvoorwaarden maak je een afspraak en is er geen enkele reden waarom je iets anders zou doen of verwachten.

Voor werkgevers is het heel aanlokkelijk om overwerken te stimuleren of eenvoudigweg toe te staan. Let wel dat dit gedrag op den duur een negatieve secundaire arbeidsvoorwaarde vormt. Beloon medewerkers dus niet voor overwerk, verwacht in tegenstelling dat ze het werk doen in de tijd die er voor staat.

Denk er aan dat medewerkers een thuisfront hebben die het overwerken gegarandeerd niet zullen waarderen. Ook al is vrijwillig overwerken een eigen verantwoording van de medewerker, het kan op termijn tot problemen leiden die toch op het bordje van de ondernemer komen. Steek niet je kop in het zand, bespreek wat je ziet en geef aan hoe je er in staat.

Een medewerker die overwerkt, is geen reden tot feest, maar reden tot zorg. Er van uit gaande dat een medewerker naast het werk een leuk leven heeft (iets wat je iedereen gunt), is het logisch te concluderen dat hij overwerkt omdat hij te veel werk op zijn bordje heeft. Als je je werk niet tijdig af krijgt, is meer werken nooit de oplossing. Zoek de oplossing eerder in een betere organisatie van het werk. Ziezo! Die reden voor overwerk is ook onder tafel geveegd.

Deze productiviteits-waarschuwing geldt ook voor ondernemers. Of wellicht juist voor ondernemers. Structureel veel werken is geen oplossing om al het werk gedaan te krijgen. Een ondernemer die 70 uur per week werk, doet er goed aan een extra medewerker aan te nemen en cursus organiseren en delegeren te volgen. Er zijn leukere dingen dan op kantoor zitten (tip: pak eens een terrasje of doe eens iets leuks met je kinderen).

De oplossing voor dit hete hangijzer is eigenlijk heel simpel: de prikklok. Werken volgens de prikklok is het meest eerlijke wat je kunt bedenken. Medewerkers krijgen zo iedere minuut uitbetaald. Letterlijk loon naar werken. Helaas kleven aan deze oplossing nogal wat negatieve associaties en past hij niet in het nieuwe mobiele werken. Jammer, maar het was ook eigenlijk te mooi om waar te zijn.