Vliegtuigongeluk bij Ueberlingen

Samenvatting

Het ongeluk bij Ueberlingen op 1 juli 2002 is het tragische resultaat van een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarbij 71 mensen om het leven kwamen. Het is een ongeluk waarbij de technologie werkte zoals bedoeld, en de mens de zwakste schakel bleek. De gemaakte mensenlijke fouten zijn stuk voor stuk wellicht voorstelbaar, maar leiden desondanks tot de desastreuze gevolgen. Om deze reden dienen uit dit ongeluk lessen getrokken te worden waarmee een nieuw soortgelijk ongeluk kan worden voorkomen.

Inleiding

Op 1 juli 2002 zijn twee vliegtuigen op elkaar gebotst. Bij het ongeval kwamen 71 mensen om het leven, voornamelijk schoolkinderen. Het incident vond ‘s avonds laat plaats in de buurt van de Zuid-Duitse plaats Ueberlingen. Een Tupolev was onderweg van Moskou naar Barcelona, een Boeing van Bergamo naar Brussel. Hoe hebben twee vliegtuigen tijdens een heldere nacht zonder druk vliegverkeer elkaar zo exact kunnen raken? Op het eerste gezicht lijkt dit een freak-accident. Nadere analyse brengt feiten aan het licht waar lering uit getrokken kan worden. Dat deze lessen nodig zijn blijkt uit het feit dat een jaar eerder een soortgelijke situatie heeft plaatsgevonden, waarbij meer dan 700 mensen betrokken waren.

Analyse van de gebeurtenissen

De twee vliegtuigen vlogen op dezelfde hoogte en hadden een koers en snelheid waarbij het onvermijdelijk was dat ze elkaar zouden raken. De beide vliegtuigen waren echter uitgerust met een TCAS. Dit is een apparaat aan boord van een vliegtuig dat andere vliegtuigen in de buurt kan detecteren en zodoende botsingen kan voorspellen. Wanneer de TCAS een botsing ziet aankomen, zal het de bemanning van beide vliegtuigen een advies geven en zo een daadwerkelijke botsing voorkomen. Het ene vliegtuig krijgt het advies te stijgen (in dit geval de Tupolev), het andere om te dalen (de Boeing).

Het apparaat functioneerde in beide vliegtuigen goed. De goed werkende techniek heeft desondanks dit ongeval niet kunnen voorkomen. Zoals vele ongelukken was ook dit ongeluk een samenloop van omstandigheden. De Boeing volgende het advies van de TCAS om te dalen. De Tupolev daalde tegelijktertijd ook. Niet op advies van de TCAS, die adviseerde te stijgen, maar op advies van de luchtverkeersleiding. De luchtverkeersleiding gaf dit advies zonder te weten dat de TCAS adviseerde te stijgen. Al is het cru, men kan stellen dat zonder tussenkomst van de luchtverkeersleiding het ongeluk niet zou hebben plaatsgevonden.

Het is duidelijk dat zowel de luchtverkeersleiding als de bemanning van de beide vliegtuigen geen compleet overzicht hadden van de situatie. De enige die wel een botsing zag aankomen was de algehele luchtverkeersleiding in Karlsruhe. Deze probeerde contact te leggen met de lokale luchtverkeersleiding in Zurich, maar kon wegens problemen met de telefoon geen contact krijgen.

De lokale luchtverkeersleiding in Zurich was op het moment van het ongeluk bemand door slechts één persoon. Dit was een langstaande traditie binnen het luchtverkeersleidingscentrum. De tweede persoon had pauze en bevond zich enkele kamers verderop. De persoon die dienst had, had juist een vliegtuiglanding begeleid. Voor deze landing had hij zowel zijn eigen scherm, als het scherm van zijn collega nodig. Hij kon beide schermen alleen overzien door met zijn burostoel tussen beide scherm heen-en-weer te rijden. Het begeleiden van de landing en het heen-en-weer pendelen tussen twee schermen vormde een afleiding voor de luchtverkeersleider.

Wellicht even tragisch als het ongeluk zelf is de gebeurtenis van een jaar later. De luchtverkeersleider die tijdens het ongeluk in Zurich dienst had is door messteken vermoord. Of er een rechtstreeks verband is met het ongeluk is niet met 100% zekerheid te zeggen. Het is wel duidelijk dat een vliegtuigongeluk een beladen onderwerp is waarbij de emoties hoog oplopen, zowel op persoonlijk, economisch als op politiek nivo. Er wordt snel gezocht naar één schuldige terwijl iedereen in de hele vliegtuigindustrie een aandeel heeft in de veiligheid van alle betrokkenen.

Aanbevelingen

  • Piloten dienen het advies van de TCAS te volgen, ook als ze een tegenstrijdig advies krijgen van de luchtverkeersleiding. Zij dienen dit tegenstrijdige advies te melden aan de luchtverkeersleiding.
  • De luchtverkeersleiding dient altijd door minimaal twee personen bemand te worden.
  • De werksituatie in Zurich dient aangepast te worden zodat luchtverkeersleiders makkelijker op elkaars schermen kunnen kijken.
  • Ongelukken dienen onpartijdig onderzocht te worden en tijdens rapportages dient naar alle partijen, van nabestaanden tot vliegtuigbouwers, duidelijk te worden gemaakt dat er vrijwel nooit één schuldige valt aan te wijzen.

Metaforen in de user-interface (deel 3)

Dat metaforen nut hebben wordt ondersteund door de studie van Hsu et al (Hsu, 2002). Zij lieten proefpersonen zoeken in een grote tekst die middels drie verschillende user-interfaces doorzoekbaar was. In de eerste interface kon alleen via hyperlinks van artikel naar artikel worden genavigeerd. De tweede interface was daarnaast opgebouwd als boek en via de inhoudsopgave doorzoekbaar. De derde interface ondersteunde ook het zoeken via een folder systeem waarbij de hoofdstukken als tabbladen zichtbaar waren. Des te meer metaforen werden gebruikt, des te sneller en beter konden de proefpersonen, op de tekst betrekking hebbende, vragen beantwoorden.

Uit het voorbeeld van de orientatiemetafoor blijkt dat bij het gebruik van metaforen sterk rekening moet worden gehouden met cultuurverschillen. In oosterse culturen wordt van rechts naar links gelezen waardoor de metafoor rechts is verder geen (of minder) betekenis heeft (Barr, 2005). In het algemeen kan gesteld worden dat metaforen afgestemd dienen te worden op het kennisnivo van de gebruiker. Wanneer de gebruiker niet bekend is het brondomein, dan heeft de metafoor geen nut.

Hetzelfde kan gesteld worden wanneer de mapping van bron- naar doeldomein niet aansluit (Erickson, 1990). Wanneer een metafoor in het doeldomein niet volledig wordt gebruikt, dan kan dit verwachtingen scheppen die bij de gebruiker niet worden ingevuld. Zo kan een bestand wel in een map geplaatst worden, maar een map kan niet in een archiefkast. Ook kunnen in een computer mappen een eindeloze hiërarchie vormen. Deze mismatch tussen bron- en doeldomein kan bij gebruikers veel verwarring schepping waardoor het gebruik van de metafoor wordt ontkracht.

Erickson geeft een aantal concrete aanbeveling ten aanzien van het gebruik van metaforen (Erickson, 1990):

  • Een metafoor moet structuur en houvast geven aan de gebruiker. Des te concreter het brondomein is, des te beter.
  • Het brondomein moet bekend zijn bij de gebruiker. Des te meer de gebruiker weet over het brondomein, des te levendiger beeld hij zich kan vormen.
  • Het brondomein moet relevant zijn en nauw aansluiten op het doeldomein.
  • Het gebruik van de metafoor moet in de toekomst uitbreidbaar zijn. Wanneer nieuwe functionaliteit in de software beschikbaar komt, dan moet de aanpassing in de user-interface voort kunnen bouwen op de eerder gekozen metafoor.

Literaatuurlijst

Barr, P, Biddle R & Noble J (2005), A taxonomy of user-interface metaphors

Erickson T.D. (1990), Working with interface metaphors

Hsu, Y & Schwen, T. M (2002). The effects of structural cues from multiple metaphors on computer user’s information search performance

Metaforen in de user-interface (deel 2)

Metaforen zijn in te delen in een taxonomy. Deze bestaat uit orientatiemetaforen, ontologische metaforen, structuurmetaforen en metonymische metaforen (Barr, 2005).

Een orientatiemetafoor maakt onder andere gebruik van richting om betekenis te geven. Zo is in de westerse cultuur de betekenis van rechts: verder of volgende. Van deze metafoor kan gebruik gemaakt worden door in een user-interface een pijltje naar rechts te gebruiken om naar een volgende pagina te navigeren. Een pijltje naar links betekend terug en naar boven betekend naar een bovenliggend nivo.

Een ontologische metafoor gebruikt een concreet object om iets abstracts te duiden. In het volgende fragment wordt tijd als object gebruikt: “Ik heb niet genoeg tijd.” Ontologische metaforen zijn in eerste instantie lastig voor te stellen in een user-interface. Tegelijkertijd zijn ze overal. Denk hierbij aan fouten die iets kunnen veroorzaken. Let wel dat de fout een voor de gebruiker abstract concept is, terwijl dit voor de programmeur niet abstract hoeft te zijn.

Structuurmetaforen helpen bijvoorbeeld om het werken met data eenvoudiger te maken. Data wordt in de user-interface getoond als bestanden, die in mappen kunnen worden geplaatst. Een bestand en een map zijn elementen, het verplaatsen is een proces. De gebruiker denkt hierdoor in bekende termen en hoeft niet te begrijpen wat er daadwerkelijk in de computer gebeurt.

Wanneer in een user-interface een kleine foto van een persoon wordt getoond om de gehele persoon aan te duiden, dan is sprake van een metonymy. Bij een metonymy wordt een deel van iets gebruikt om iets groters aan te duiden. Dit hoeft geen concreet element te zijn, maar kan ook verwijzen naar een proces. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van icoontjes waarmee een actie kan worden gestart. Het icoontje stelt de actie voor.

Literaatuurlijst

Barr, P, Biddle R & Noble J (2005), A taxonomy of user-interface metaphors

Erickson T.D. (1990), Working with interface metaphors

Hsu, Y & Schwen, T. M (2002). The effects of structural cues from multiple metaphors on computer user’s information search performance

Metaforen in de user-interface (deel 1)

Bij het ontwerpen van user-interfaces wordt al sinds de jaren 80 gebruik gemaakt van metaforen (Hsu et al, 2002). In het dagelijks leven gebruiken we iedere dag metaforen, los van de computer en user-interfaces. Metaforen zijn een integraal deel van ons leven, terwijl we dat vaak niet beseffen (Erickson, 1990). Ter illustratie geven Lakoff en Johnson in hun boek, Methaphors We Live By, een beschrijving hoe een discussie kan worden beschreven in termen van oorlog (in: Erickson, 1990). Een discussie heeft partijen die hun posities verdedigen en zwakke stellingen van de andere partij aanvallen. Door een discussie in termen van oorlog te beschrijven wordt het duidelijker wat een discussie is. Bij de concrete term oorlog kunnen mensen zich een beter beeld vormen dan bij de abstracte term discussie.

Een metafoor wordt gebruikt om iets wat nieuw of abstract is te begrijpen door termen te gebruiken uit een geheel ander domein. Een domein wat wel bekend of concreet is. Een metafoor heeft daarmee twee componenten: het brondomein en het doeldomein (Barr, 2005). Het brondomein is het bekende (in het vorige voorbeeld de oorlog). Het doeldomein is het domein waarop het brondomein wordt toegepast (de discussie). Het doeldomein wordt beschreven in termen van het brondomein.

Literaatuurlijst

Barr, P, Biddle R & Noble J (2005), A taxonomy of user-interface metaphors

Erickson T.D. (1990), Working with interface metaphors

Hsu, Y & Schwen, T. M (2002). The effects of structural cues from multiple metaphors on computer user’s information search performance

Software hoeft niet altijd simpel te zijn

De mens heeft al veel ontdekt. De tijd waarin de grote oceanen bevaren werden om nieuwe werelden te ontdekken ligt ver achter ons. Toch leren we iedere dag nog bij. De afgelopen eeuwen hebben we zelfs ontdekt dat er zoveel te ontdekken valt dat het handig is om kennis en ervaring te delen en van generatie op generatie over te dragen. Zo voorkom je dat iets wat al ontdekt is, niet nog een keer ontdekt hoeft te worden. Boeken, scholing en wetenschap zijn geboren.

Hoewel ontdekken leuk is (of op z’n minst ‘kan zijn’), zijn er redenen waarom je niet alles zelf wilt uitvogelen. Velen zijn je voor gegaan en het is nuttig om van die ervaring gebruik te maken. Dat scheelt een hoop moeite en frustratie. En niet te vergeten tijd. Ontdekken kost soms zoveel tijd dat je de moed opgeeft voordat je iets ontdekt hebt. Iets van een ander leren maakt het leven dus leuker en makkelijker. Je leert dingen die je zelf nooit had kunnen ontdekken.

De ontdekbaarheid van dingen (in het Engels aangeduid met de term discoverability) is een belangrijk concept. Iets is goed ontdekbaar als je het in korte tijd kunt ontdekken, zonder aanwijzingen van anderen of gebruik van een boekje. De letterlijke betekenis dus. Kun je bij een pinautomaat snel ontdekken hoe je er geld uitkrijgt? Kun je van een onbekende auto snel ontdekken hoe je moet starten en wegrijden? Een nieuw softwareprogramma of website: hoe snel ontdek je de belangrijkste functionaliteiten? Dat is ontdekbaarheid.

Niet alles in de wereld is van zichzelf makkelijk ontdekbaar of ontdekbaar te maken. Sommige dingen zijn gewoon inherent lastig. Denk aan Einstein’s relativiteitstheorie. Daarvan is het handig als iemand het uitlegt. De magnetron, om een geheel ander voorbeeld te noemen, moet je kunnen gebruiken zonder cursus of handleiding. En een nieuw computerprogramma? Nieuwe software zó eenvoudig maken dat alle functies makkelijk ontdekbaar zijn is op zich goed te doen. Je doet dit door alle knoppen en teksten zo te plaatsen dat het voor de nieuwe gebruiker logisch is. Hiep, hoi, ontdekbare software!

Houdt er echter rekening mee dat software die voor nieuwe gebruikers ontdekbaar is, voor meer ervaren gebruikers onwerkbaar kan zijn. Denk hierbij aan een geluidstechnicus die op een My First Sony de nieuwste kneiter van Frans Bauer in elkaar mixed. Het verbeteren van de ontdekbaarheid van software heeft duidelijk een keerzijde. Professionele software die bedoeld is om door ervaren gebruikers gebruikt te worden zal per definitie niet optimaal ontdekbaar zijn. Lekker productief werken met sneltoest-combinaties is voor de ervaren doelgroep bijvoorbeeld belangrijker dan de ontdekbaarheid daarvan.

De ontdekbaarheid van software (of andere complexe systemen en apparaten) is niet altijd het hoogste doel. Aan ontdekbaarheid moeten soms concessies worden gedaan, ten behoeve van de fase die na de ontdekking komt: het productief gebruik. Dit heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste werkt, in de verkoop en promotie van software en websites, het verstrekken van proeflicenties niet. De toekomstige gebruiker zal de software beoordelen op wat hij er in de eerste 30 minuten mee kan. En dat is by design dus vrij weinig. Onervaren gebruikers zullen de software daarmee als onwerkbaar beschouwen. Onterecht, maar zeer begrijpelijk.

Ten tweede: iets wat lastig is om zelf te ontdekken, kun je het beste eerst een keertje bij een ander afkijken. Voor software waarbij concessies zijn gedaan aan de ontdekbaarheid heeft training een extreem grote waarde. Doen dus! Of lees op zijn minst een goed boek. Ben je als gebruiker de eerste fase van ontdekken doorgekomen, dan heeft training zijn waarde verloren; de functionaliteiten zijn ontdekt. Een boek of verdiepingstraining heeft dan hooguit nog waarde als naslagwerk of om nieuwe foefjes te leren.

Kunnen pinautomaten gebruiksvriendelijker?

Samenvatting

In dit onderzoek is gekeken naar de gebruiksvriendelijkheid van pinautomaten. Dit is onderzocht middels een enquête en een usablity test. Automaten blijken ruim voldoende te scoren op gebruiksvriendelijkheid. De veiligheid scoort lager. De verschillende onderzochte automaten lijken qua werking sterk op elkaar. Er zijn verschillende manier waarop de automaten verbeterd kunnen worden. Onder andere door nog verdergaande standaardisering.

Introductie

In opdracht van de Universiteit Leiden is door onze groep onderzoek gedaan naar de gebruiksvriendelijkheid van de pinautomaat.

Methode

Het onderzoek is gesplitst in twee delen:

  • Een usability test door leden van onze onderzoeksgroep
  • Een enquête onder gebruikers van pinautomaten

Tijdens de usability test is geld opgenomen bij vier verschillende pinautomaten rond het Centraal Station in Leiden (ABN Amro, ING, Rabo en Fortis). Hierbij is met opzet eenmalig een verkeerde pincode ingetoetst en werd getracht een bedrag van vijf euro op te nemen. Tijdens deze handeling werden de fysieke omgeving, de schermen en de workflow door de schermen geëvalueerd. Ook werd de tijd gemeten die het kost om de handelingen te verrichten.

Middels een enquête werd gebruikers van pinautomaten gevraagd hoe zij de gebruiksvriendelijkheid subjectief ervaren. Dit werd gedaan door de volgende twee vragen te stellen:

  • Hoe beoordeelt u de gebruiksvriendelijkheid van pinautomaten (op een schaal van 1 – 10)?
  • Hoe beoordeelt u het gevoel van veiligheid bij het gebruik van pinautomaten (op een schaal van 1 – 10)?

Om bias bij de onderzoekers te voorkomen is het onderzoek daadwerkelijk in deze volgorde uitgevoerd.

Resultaten

Vindbaarheid De pinautomaten bij een bank (ABN Amro en Rabo) zijn goed vindbaar. Vooral omdat deze bij een bank zijn gelegen.
Lay-out van de automaat De onderzochte pinautomaten kennen allemaal een zelfde lay-out; al ziet de automaat van Fortis er net iets anders uit.
Privacy De automaten van de ING en Fortis zijn goed afgeschermd en hebben een anti-meekijkscherm. Geen van de automaten heeft een kapje over het toetsenbord waardoor het afkijken van de pincode mogelijk is.
Meertaligheid Geen van de automaten ondersteund taalkeuze (in ieder geval niet wanneer gepind wordt met een Nederlands pas).
Saldo opvragen Het is alleen mogelijk om het saldo op te vragen bij de eigen bank. Dit is bij de meeste automaten een optie die geheel los staat van het pinnen (behalve bij de ABN).
Bedragkeuze Bij geen van de automaten is het mogelijk een bedrag van 5 euro te kiezen. De automaten kennen allemaal een basale vorm van validatie (vb: veelvoud van 10 euro)
Pin foutief Alle automaten hebben een soortgelijke workflow. Bij het foutief invoeren van de pincode wordt de gebruiker niet direct gealarmeerd, dit gebeurd pas enkele schermen later.
Biljetkeuze Alleen de automaat van de Rabobank geeft een biljetkeuze.
Gelduitgifte Bij de gelduitgifte gaat bij alle automaten een lampje knipperen bij het uitgiftevak. Er is geen geluidsignaal zoals bij het uitgeven van de pas.
Hulp Geen van de automaten heeft een help-functie. De Fortis-bank probeert met foto’s aan te duiden wat de gebruiker moet doen.
Tijd Gemiddeld kon de transactie binnen anderhalve minuut worden afgerond. De transactie bij de ABN Amro bank duurde iets langer. Hierbij moet worden opgemerkt dat binnen deze tijd ook foto’s genomen zijn. Zonder het nemen van foto’s zou de tijd waarschijnlijk onder de minuut liggen. Desondanks is de verhouding tussen actie en wachten scheef. De gebruiker moet langer wachten dan dat hij iets doet.

De enquête leverde de volgende conclusies op (N = 13): De gebruiksvriendelijkheid wordt gemiddelde beoordeeld met een 7,31 (standaarddeviatie: 0.85). De veiligheid wordt gemiddeld beoordeelde met een 5,96 (standaarddeviatie: 1,81).

Discussie en conclusies

De gebruiksvriendelijkheid wordt hooggewaardeerd. Het gevoel van veiligheid wordt iets lager gewaardeerd, maar is desondanks voldoende. Op zich lijkt er niets fout aan de automaten, maar er is ruimte voor verbetering.

De automaten kunnen op de volgende punten verbeterd worden (alleen de belangrijkste punten worden genoemd):

  • Vindbaarheid verhogen door 1 uniform logo of beeldmerk te gebruiken voor alle automaten
  • Meekijken voorkomen door de automaten beter af te schermen (zoals de ING-automaat) en een anti-meekijkscherm te gebruiken.
  • Meekijken voorkomen door een kapje over het pincode-toestbord
  • Taalkeuze ondersteuning voor anders-talige gebruikers (vb: Engels, Duits, Frans, Spaans, Pools of Turks)
  • Het banksaldo ook tonen wanneer niet bij de eigen bank wordt gepind
  • De verwerkingstijd verkorten.

Tijdens dit onderzoek zijn slechts een beperkt aantal automaten onderzocht. Er is nog meer onderzoek nodig naar andere typen automaten en door meer, en meer verschillende proefpersonen. Het onderzoek is alleen overdag uitgevoerd. Onderzoek naar het gebruik in het donker is aan te bevelen. De steekproefgrootte van de enquête is zeer klein. Een groter onderzoek is nodig om gefundeerde conclusies te trekken.

Rotsklimmen in België: een administratief hoogstandje

Let op: Per 1 januari 2011 is de klimregeling veranderd. Bijna alle bezwaren die ik hieronder beschrijf zijn weggevallen.

Wil je klimmen in België? Wordt lid van de NKBV, neem via de NKBV een verzekering en vraag een klimjaarkaart aan (kosten: 48 + 15 euro). Je ontvangt het mooi blad Hoogtelijn, je bent goed verzekerd als er een ongeluk gebeurt en je betaald mee aan het onderhoud van het klimgebied en de routes. Kijk op de website van de NKBV hoe de regeling precies in elkaar zit.

Belgen zijn niet blij met Nederlands; daarom zijn er allemaal regeltjes om te voorkomen dat we massaal ons geld bij ze uitgeven. Stel je voor dat we de lokale economie stimuleren. Zonder te veel in detail te treden kun je stellen dat het rotsklimmen door Nederlanders op de Belgische klimmassieven wordt ontmoedigd.

Waarom Nederlanders de pineut zijn, is logisch te beredeneren. Er zijn in België simpelweg te weinig rotsen om alle klimmers lekker te laten klimmen. Daarom klimmen Duitsers in Duitsland, Fransen in Frankrijk en Luxemburgers in Luxemburg. De enige die op de Belgische massieven klimmen zijn Belgen en… Nederlanders. En als je dan minder klimmers wilt, is de oplossingsrichting snel gevonden. Om ons niet en-masse te weren is dat woud aan regels bedacht. Zo lijkt het namelijk alsof wij welkom zijn. Slim bedacht!

Als je wilt klimmen in Belgie heb je het volgende nodig:

  1. Identiteitsbewijs (Rijbewijs, ID of paspoort)
  2. Lidmaatschap van de NKBV (pasje)
  3. Klimjaarkaart (pasje)
  4. Aanmelding om te klimmen (hiervan krijg je geen bewijs)

Aanmelden kan bij de NKBV voor donderdag 12:00 uur. Je noemt dan je lidnummer, de dag waarop je wilt klimmen en het gebied. Aanmelding is nodig in het weekend, en ook op feestdagen. Maar dan weer niet voor alle klimgebieden, in sommige kun je zo gaan klimmen. Andere zijn simpelweg altijd voor iedereen gesloten. Meer praktische informatie vind je op de website van de NKBV.

Sommige klimmers worden lid van een Belgische klimbond. Het idee is dat je daardoor geen klimkaart nodig hebt. Helaas werkt dit niet. Belgen mogen discrimineren op basis van herkomst. En wij Nederlanders worden zo, via de klimregeling, verplicht om lid te zijn van de NKBV. De NKBV steunt dit beleid van de Belgen logischerwijs.

Let op: in de verschillende gebieden wordt gecontroleerd. Als bij controle blijkt dat je deze papierwinkel niet hebt, dan wordt je weggestuurd. De controles verschillen per gebied. Yvoir kent een streng beleid, in Beez heb ik nog nooit controle meegemaakt. Er zijn ook gebieden waar ze wel controleren, en vervolgens gedogen als je geen klimkaart bij je hebt. Het blijven Belgen.

Betalen voor het klimmen is op zich een goede zaak. Van dat geld worden namelijk de klimgebieden onderhouden en daar kunnen we allemaal van profiteren. Ook wordt het aantal klimmers beperkt om de natuur te beschermen. Ook een goede zaak. Ik heb zojuist een klimjaarkaart besteld. Wellicht zal ik hem dit jaar niet gebruiken. Dan zie ik het maar als een mooie gift ten behoeve van het Belgische natuurbehoud.

Als je het netjes wilt doen, dan wordt je lid van de NKBV en loop je heel de papierwinkel door. Mocht je dit te ver gaan (een keertje klimmen is zo een dure grap), realiseer je dan er controle kan komen en dat je dan dus weg moet. Per slot van rekening ben je prive-terrein aanwezig! Of de massieven nu van de overheid, van de spoorwegmaatschappij of van oom Jerommeke zijn.

Hoewel er genoeg redenen zijn om je aan de regels te houden trek ik het circus niet. De laatste keren heb ik in Beez dus zonder aanmelding, maar wel met klimjaarkaart geklommen. Probleemloos! Je kunt het anders treffen, en dan ga je naar een ander gebied óf naar huis. En da’s best sneu na zo’n eind rijden. In een weekend zoals Hemelvaart kun je veel klimmers verwachten, en dat zou gevolgen kunnen hebben voor de mate van controles.

In Duitsland zijn er ook gebieden waar je je moet aanmelden. En soms moet je een dagkaart kopen. Maar voor zover ik weet hoef je geen lid te zijn van de NKBV. Buiten Duitsland en Belgie zijn er veel meer rotsen en dus minder problemen met overbeklimming. Desondanks is het goed je te realiseren dat er overal lokale regels kunnen zijn. Rotsmassieven kunnen namelijk in iemands achtertuin liggen. Het zal je maar gebeuren dat er dagelijks vijftig man in je achtertuin aan het klimmen is. Dat wil je als lokaal boertje liever niet. Lokale regels staan aangegeven in klimboekjes, maar ook op borden bij het klimgebied.

Enne… last but not least. Afgezien van de klimkaart is het ook verstandig om een helm mee te nemen! Je zal niet de eerste zijn die op z’n kop naar beneden komt. 😉

5 gadgets voor de gewone man

Iedereen die mij kent, weet dat ik een hekel heb aan computers. Ook al verdien ik er mijn geld mee. Ze werken zelden zoals geadverteerd;
teleurstelling en frustratie alom. Ik realiseer mij echter dat computers en andere technische snufjes ons leven ook makkelijker maken.

Hier een top vijf van gadgets die ik iedereen van harte kan aanraden. Hoe kun je zonder. 😉

1. De iPhone
Al sinds het begin van de jaartelling heb ik een mobiele telefoon van Nokia. Tot vorig jaar, toen ik mijn eerste iPhone kreeg. Ik kan moeilijk uitleggen wat het precies is wat het apparaat zo mooi maakt. Leen er eens eentje van je neefje en ervaar het verschil. Wat een heerlijk werkend stukje techniek. Echt een aanbeveling. Neem wel een abonnement mét internet.

2. De ov-chipkaart
Wie wel eens met de trein reist zal veel gemak ervaren van de ov-chipkaart. Geen gehannes meer met kaartjes. Even bliepen bij het incheck-apparaat en je mag legaal met de trein. Vergeet niet uit te checken, anders wordt het ritje toch nog duur. Je schijnt ook met de bus te kunnen reizen, maar dat hobbelen lijkt mij niks.

3. Trein
Nee! Niet de blauwe-geel rups. Ik bedoel de iPhone-app. Zo heet ie. Deze app weet wanneer jouw trein vertrekt en aankomt. Zelfs op het perron is deze app makkelijker dan kijken op de vertrekborden. Echt waar. Deze app houdt namelijk rekening met eventuele vertragingen. Dat red je niet met papier.

4. De wake-up light
Mensen zijn voorgeprogrammeerd om in slaap te vallen wanneer het donker wordt en wakker te worden zodra het zonlicht op onze oogluikjes valt. Dat laatste is wat lastig met de gordijnen stijf dicht. De wake-up light combineert daarom een wekker met een lamp. Je zet de wekker zoals je gewend bent. Een half uurtje voor je op moet, begint de lamp gedimd te branden. In een half uur tijd gaat de lamp steeds feller schijnen, waardoor je vanzelf en heel natuurlijk wakker wordt. Alleen uitslapen is fijner.

5. De internet weegschaal
Voor iedereen die zijn gewicht in de gaten wil houden is deze weegschaal van Youw8 een fantastische aanwinst. Hij werkt zoals iedere andere weegschaal. Maar hij doet nog iets extra’s: hij stuurt jouw gewicht en vetpercentage door naar het internet. Daar kun je jouw afvalrace volgen in statistieken en grafieken. Wegen was nog nooit zo leuk.

Als bonus noem ik Dropbox, waar ik eerder over schreef.

De rare mens-computer dialoog

Ons brein en een computer zijn twee heel verschillende en van elkaar losstaande dingen die allebei op een eigen manier werken. Hierdoor kunnen we ons brein niet zomaar inpluggen op het internet. Om op het internet te surfen hebben we een toetsenbord, muis en beeldscherm nodig. En eventueel zelfs speakers en een microfoon voor het geluid. We hebben onze zintuigen nodig om met een computer te communiceren.

Mens en computer werken als volgt samen. Stel: we willen het laatste nieuws op internet weten. Deze behoefte zetten we om naar een handeling (typen op een toetsenbord). De computer gaat aan de slag en toont ons de nieuwspagina (op het beeldscherm). Het licht van het beeldscherm valt op ons oog waardoor de aangeboden pagina in ons brein omgezet wordt naar hersenactiviteit. Deze activiteit bevredigt uiteindelijk onze behoefte. Zo beschouwd is dit een heel rare dialoog, hoe noodzakelijk ook.

Bij het schrijven van software streeft de programmeur er naar om het geheugen- en processorgebruik van de computer zo beperkt mogelijk te houden. Hierdoor werkt de software sneller. Programmeurs hebben namelijk geleerd dat gebruikers hier blij van worden. Wij mensen worden echter niet zo zeer blij van snelle software. We worden blij van snel bevredigde behoeftes. En niet minder belangrijk: met een zo klein mogelijke belasting van ons geheugen en zo min mogelijk hersenactiviteit.

Softwareontwikkelaars zouden eigenlijk niet alleen de processorcycles van hun computer moeten meten, maar ook de cognitieve cycles van de mens. En dit zien als één integraal onderdeel. Nou kunnen we in de dagelijkse praktijk al veel, maar helaas… zo ver zijn we nog niet.

Briljante medewerkers profiteren van structuur

Het vervelende van het aannemen van nieuwe medewerkers is de lange inwerktijd. Als je iemand aanneemt, dan is die persoon niet direct productief. De nieuwe collega gaat op cursus, loopt met een ervaren kracht mee en werkt daarna een tijdje onder supervisie. Des te korter de inwerkperiode is, des te lager de kosten. Dit is een regel die geldt bij alle bedrijven en bij alle functies. Of het nu gaat om een hamburgerbakker bij McDonalds of de nieuwe directeur bij een groot beursgenoteerd bedrijf.

McDonalds maakt het werk zo eenvoudig mogelijk. Om bij McDonalds te werken hoef je niet briljant te zijn. Een master, bachelor of zelfs vmbo diploma is niet nodig. Je moet op tijd op je werk verschijnen en kunnen communiceren: “Welkom bij McDonalds, mag ik uw bestelling alstublieft.” McDonalds maakt het werk zo eenvoudig dat iedereen per direct aan de slag kan. McDonalds heeft op deze manier de personeelswerving vereenvoudigt en inwerktijden verkort. Recruteren is simpel.

Ook voor moeilijkere taken, zoals het ontwikkelen van software, werkt dit principe. Des te eenvoudiger het werk voor de programmeur is, des te makkelijker het is om programmeurs aan te nemen. Dit ‘makkelijker maken van het werk’ kun je op twee manieren bereiken. Allereerst kun je het programmeerwerk makkelijker maken; gewoon de klusjes simpeler maken. Dit is hetzelfde als een McDonald hamburger serveren in een vijfsterrenrestaurant. Voor een programmeur werkt dat natuurlijk niet. Het werk wat gedaan moet worden, is het werk wat gedaan moet worden. Je kan niet zomaar je product vereenvoudigen.

De oplossing ligt in het vereenvoudigen van de omstandigheden waaronder het werk gedaan wordt. Dit betekend dat er goede hulpmiddelen zijn, goede trainingen en ook goede procedures. En hier pakken we de paralel met McDonalds weer op. McDonalds maakt de omstandigheden zo, dat de kans op fouten minimaal is. De hulpmiddelen zijn exact toegespitst op de werkzaamheden. Iedereen kan mayonaise op de hamburger spuiten. Een maal knijpen en de juiste hoeveelheid witgele drap wordt netjes verspreid over de gehele hamburger.

Bij McDonalds gaat het er als medewerker om hoe je de werkzaamheid uitvoert. Bij het programeren gaat het om een geheel andere vraag: wélke werkzaamheid voer je eigenlijk uit? Iedere dag is anders, ieder uur is anders, iedere beslissing is anders. Kun je dan de McDonalds-principes wel toepassen? Het antwoord is ‘ja’. Nogmaal het principe: “Het werk wat gedaan moet worden, moet zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt. Zodat nieuwe medewerkers snel ingewerkt zijn en bestaande medewerkers zo productief mogelijk kunnen zijn.”

De aard van de werkzaamheden maakt niet uit. Sterker: bij moeilijkere werkzaamheden is het juist extra belangrijk dat het werk zo makkelijk mogelijk is. Als het werk al moeilijk genoeg is, dan juist heb je goede hulpmiddelen, trainingen en procedures hard nodig. Niet opdat je dan minder hoog opgeleide professionals nodig hebt, maar om begaafde medewerkers nog productiever te maken.