Metaforen in de user-interface (deel 3)

Dat metaforen nut hebben wordt ondersteund door de studie van Hsu et al (Hsu, 2002). Zij lieten proefpersonen zoeken in een grote tekst die middels drie verschillende user-interfaces doorzoekbaar was. In de eerste interface kon alleen via hyperlinks van artikel naar artikel worden genavigeerd. De tweede interface was daarnaast opgebouwd als boek en via de inhoudsopgave doorzoekbaar. De derde interface ondersteunde ook het zoeken via een folder systeem waarbij de hoofdstukken als tabbladen zichtbaar waren. Des te meer metaforen werden gebruikt, des te sneller en beter konden de proefpersonen, op de tekst betrekking hebbende, vragen beantwoorden.

Uit het voorbeeld van de orientatiemetafoor blijkt dat bij het gebruik van metaforen sterk rekening moet worden gehouden met cultuurverschillen. In oosterse culturen wordt van rechts naar links gelezen waardoor de metafoor rechts is verder geen (of minder) betekenis heeft (Barr, 2005). In het algemeen kan gesteld worden dat metaforen afgestemd dienen te worden op het kennisnivo van de gebruiker. Wanneer de gebruiker niet bekend is het brondomein, dan heeft de metafoor geen nut.

Hetzelfde kan gesteld worden wanneer de mapping van bron- naar doeldomein niet aansluit (Erickson, 1990). Wanneer een metafoor in het doeldomein niet volledig wordt gebruikt, dan kan dit verwachtingen scheppen die bij de gebruiker niet worden ingevuld. Zo kan een bestand wel in een map geplaatst worden, maar een map kan niet in een archiefkast. Ook kunnen in een computer mappen een eindeloze hiërarchie vormen. Deze mismatch tussen bron- en doeldomein kan bij gebruikers veel verwarring schepping waardoor het gebruik van de metafoor wordt ontkracht.

Erickson geeft een aantal concrete aanbeveling ten aanzien van het gebruik van metaforen (Erickson, 1990):

  • Een metafoor moet structuur en houvast geven aan de gebruiker. Des te concreter het brondomein is, des te beter.
  • Het brondomein moet bekend zijn bij de gebruiker. Des te meer de gebruiker weet over het brondomein, des te levendiger beeld hij zich kan vormen.
  • Het brondomein moet relevant zijn en nauw aansluiten op het doeldomein.
  • Het gebruik van de metafoor moet in de toekomst uitbreidbaar zijn. Wanneer nieuwe functionaliteit in de software beschikbaar komt, dan moet de aanpassing in de user-interface voort kunnen bouwen op de eerder gekozen metafoor.

Literaatuurlijst

Barr, P, Biddle R & Noble J (2005), A taxonomy of user-interface metaphors

Erickson T.D. (1990), Working with interface metaphors

Hsu, Y & Schwen, T. M (2002). The effects of structural cues from multiple metaphors on computer user’s information search performance

Metaforen in de user-interface (deel 2)

Metaforen zijn in te delen in een taxonomy. Deze bestaat uit orientatiemetaforen, ontologische metaforen, structuurmetaforen en metonymische metaforen (Barr, 2005).

Een orientatiemetafoor maakt onder andere gebruik van richting om betekenis te geven. Zo is in de westerse cultuur de betekenis van rechts: verder of volgende. Van deze metafoor kan gebruik gemaakt worden door in een user-interface een pijltje naar rechts te gebruiken om naar een volgende pagina te navigeren. Een pijltje naar links betekend terug en naar boven betekend naar een bovenliggend nivo.

Een ontologische metafoor gebruikt een concreet object om iets abstracts te duiden. In het volgende fragment wordt tijd als object gebruikt: “Ik heb niet genoeg tijd.” Ontologische metaforen zijn in eerste instantie lastig voor te stellen in een user-interface. Tegelijkertijd zijn ze overal. Denk hierbij aan fouten die iets kunnen veroorzaken. Let wel dat de fout een voor de gebruiker abstract concept is, terwijl dit voor de programmeur niet abstract hoeft te zijn.

Structuurmetaforen helpen bijvoorbeeld om het werken met data eenvoudiger te maken. Data wordt in de user-interface getoond als bestanden, die in mappen kunnen worden geplaatst. Een bestand en een map zijn elementen, het verplaatsen is een proces. De gebruiker denkt hierdoor in bekende termen en hoeft niet te begrijpen wat er daadwerkelijk in de computer gebeurt.

Wanneer in een user-interface een kleine foto van een persoon wordt getoond om de gehele persoon aan te duiden, dan is sprake van een metonymy. Bij een metonymy wordt een deel van iets gebruikt om iets groters aan te duiden. Dit hoeft geen concreet element te zijn, maar kan ook verwijzen naar een proces. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van icoontjes waarmee een actie kan worden gestart. Het icoontje stelt de actie voor.

Literaatuurlijst

Barr, P, Biddle R & Noble J (2005), A taxonomy of user-interface metaphors

Erickson T.D. (1990), Working with interface metaphors

Hsu, Y & Schwen, T. M (2002). The effects of structural cues from multiple metaphors on computer user’s information search performance

Metaforen in de user-interface (deel 1)

Bij het ontwerpen van user-interfaces wordt al sinds de jaren 80 gebruik gemaakt van metaforen (Hsu et al, 2002). In het dagelijks leven gebruiken we iedere dag metaforen, los van de computer en user-interfaces. Metaforen zijn een integraal deel van ons leven, terwijl we dat vaak niet beseffen (Erickson, 1990). Ter illustratie geven Lakoff en Johnson in hun boek, Methaphors We Live By, een beschrijving hoe een discussie kan worden beschreven in termen van oorlog (in: Erickson, 1990). Een discussie heeft partijen die hun posities verdedigen en zwakke stellingen van de andere partij aanvallen. Door een discussie in termen van oorlog te beschrijven wordt het duidelijker wat een discussie is. Bij de concrete term oorlog kunnen mensen zich een beter beeld vormen dan bij de abstracte term discussie.

Een metafoor wordt gebruikt om iets wat nieuw of abstract is te begrijpen door termen te gebruiken uit een geheel ander domein. Een domein wat wel bekend of concreet is. Een metafoor heeft daarmee twee componenten: het brondomein en het doeldomein (Barr, 2005). Het brondomein is het bekende (in het vorige voorbeeld de oorlog). Het doeldomein is het domein waarop het brondomein wordt toegepast (de discussie). Het doeldomein wordt beschreven in termen van het brondomein.

Literaatuurlijst

Barr, P, Biddle R & Noble J (2005), A taxonomy of user-interface metaphors

Erickson T.D. (1990), Working with interface metaphors

Hsu, Y & Schwen, T. M (2002). The effects of structural cues from multiple metaphors on computer user’s information search performance

Software hoeft niet altijd simpel te zijn

De mens heeft al veel ontdekt. De tijd waarin de grote oceanen bevaren werden om nieuwe werelden te ontdekken ligt ver achter ons. Toch leren we iedere dag nog bij. De afgelopen eeuwen hebben we zelfs ontdekt dat er zoveel te ontdekken valt dat het handig is om kennis en ervaring te delen en van generatie op generatie over te dragen. Zo voorkom je dat iets wat al ontdekt is, niet nog een keer ontdekt hoeft te worden. Boeken, scholing en wetenschap zijn geboren.

Hoewel ontdekken leuk is (of op z’n minst ‘kan zijn’), zijn er redenen waarom je niet alles zelf wilt uitvogelen. Velen zijn je voor gegaan en het is nuttig om van die ervaring gebruik te maken. Dat scheelt een hoop moeite en frustratie. En niet te vergeten tijd. Ontdekken kost soms zoveel tijd dat je de moed opgeeft voordat je iets ontdekt hebt. Iets van een ander leren maakt het leven dus leuker en makkelijker. Je leert dingen die je zelf nooit had kunnen ontdekken.

De ontdekbaarheid van dingen (in het Engels aangeduid met de term discoverability) is een belangrijk concept. Iets is goed ontdekbaar als je het in korte tijd kunt ontdekken, zonder aanwijzingen van anderen of gebruik van een boekje. De letterlijke betekenis dus. Kun je bij een pinautomaat snel ontdekken hoe je er geld uitkrijgt? Kun je van een onbekende auto snel ontdekken hoe je moet starten en wegrijden? Een nieuw softwareprogramma of website: hoe snel ontdek je de belangrijkste functionaliteiten? Dat is ontdekbaarheid.

Niet alles in de wereld is van zichzelf makkelijk ontdekbaar of ontdekbaar te maken. Sommige dingen zijn gewoon inherent lastig. Denk aan Einstein’s relativiteitstheorie. Daarvan is het handig als iemand het uitlegt. De magnetron, om een geheel ander voorbeeld te noemen, moet je kunnen gebruiken zonder cursus of handleiding. En een nieuw computerprogramma? Nieuwe software zó eenvoudig maken dat alle functies makkelijk ontdekbaar zijn is op zich goed te doen. Je doet dit door alle knoppen en teksten zo te plaatsen dat het voor de nieuwe gebruiker logisch is. Hiep, hoi, ontdekbare software!

Houdt er echter rekening mee dat software die voor nieuwe gebruikers ontdekbaar is, voor meer ervaren gebruikers onwerkbaar kan zijn. Denk hierbij aan een geluidstechnicus die op een My First Sony de nieuwste kneiter van Frans Bauer in elkaar mixed. Het verbeteren van de ontdekbaarheid van software heeft duidelijk een keerzijde. Professionele software die bedoeld is om door ervaren gebruikers gebruikt te worden zal per definitie niet optimaal ontdekbaar zijn. Lekker productief werken met sneltoest-combinaties is voor de ervaren doelgroep bijvoorbeeld belangrijker dan de ontdekbaarheid daarvan.

De ontdekbaarheid van software (of andere complexe systemen en apparaten) is niet altijd het hoogste doel. Aan ontdekbaarheid moeten soms concessies worden gedaan, ten behoeve van de fase die na de ontdekking komt: het productief gebruik. Dit heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste werkt, in de verkoop en promotie van software en websites, het verstrekken van proeflicenties niet. De toekomstige gebruiker zal de software beoordelen op wat hij er in de eerste 30 minuten mee kan. En dat is by design dus vrij weinig. Onervaren gebruikers zullen de software daarmee als onwerkbaar beschouwen. Onterecht, maar zeer begrijpelijk.

Ten tweede: iets wat lastig is om zelf te ontdekken, kun je het beste eerst een keertje bij een ander afkijken. Voor software waarbij concessies zijn gedaan aan de ontdekbaarheid heeft training een extreem grote waarde. Doen dus! Of lees op zijn minst een goed boek. Ben je als gebruiker de eerste fase van ontdekken doorgekomen, dan heeft training zijn waarde verloren; de functionaliteiten zijn ontdekt. Een boek of verdiepingstraining heeft dan hooguit nog waarde als naslagwerk of om nieuwe foefjes te leren.

Kunnen pinautomaten gebruiksvriendelijker?

Samenvatting

In dit onderzoek is gekeken naar de gebruiksvriendelijkheid van pinautomaten. Dit is onderzocht middels een enquête en een usablity test. Automaten blijken ruim voldoende te scoren op gebruiksvriendelijkheid. De veiligheid scoort lager. De verschillende onderzochte automaten lijken qua werking sterk op elkaar. Er zijn verschillende manier waarop de automaten verbeterd kunnen worden. Onder andere door nog verdergaande standaardisering.

Introductie

In opdracht van de Universiteit Leiden is door onze groep onderzoek gedaan naar de gebruiksvriendelijkheid van de pinautomaat.

Methode

Het onderzoek is gesplitst in twee delen:

  • Een usability test door leden van onze onderzoeksgroep
  • Een enquête onder gebruikers van pinautomaten

Tijdens de usability test is geld opgenomen bij vier verschillende pinautomaten rond het Centraal Station in Leiden (ABN Amro, ING, Rabo en Fortis). Hierbij is met opzet eenmalig een verkeerde pincode ingetoetst en werd getracht een bedrag van vijf euro op te nemen. Tijdens deze handeling werden de fysieke omgeving, de schermen en de workflow door de schermen geëvalueerd. Ook werd de tijd gemeten die het kost om de handelingen te verrichten.

Middels een enquête werd gebruikers van pinautomaten gevraagd hoe zij de gebruiksvriendelijkheid subjectief ervaren. Dit werd gedaan door de volgende twee vragen te stellen:

  • Hoe beoordeelt u de gebruiksvriendelijkheid van pinautomaten (op een schaal van 1 – 10)?
  • Hoe beoordeelt u het gevoel van veiligheid bij het gebruik van pinautomaten (op een schaal van 1 – 10)?

Om bias bij de onderzoekers te voorkomen is het onderzoek daadwerkelijk in deze volgorde uitgevoerd.

Resultaten

Vindbaarheid De pinautomaten bij een bank (ABN Amro en Rabo) zijn goed vindbaar. Vooral omdat deze bij een bank zijn gelegen.
Lay-out van de automaat De onderzochte pinautomaten kennen allemaal een zelfde lay-out; al ziet de automaat van Fortis er net iets anders uit.
Privacy De automaten van de ING en Fortis zijn goed afgeschermd en hebben een anti-meekijkscherm. Geen van de automaten heeft een kapje over het toetsenbord waardoor het afkijken van de pincode mogelijk is.
Meertaligheid Geen van de automaten ondersteund taalkeuze (in ieder geval niet wanneer gepind wordt met een Nederlands pas).
Saldo opvragen Het is alleen mogelijk om het saldo op te vragen bij de eigen bank. Dit is bij de meeste automaten een optie die geheel los staat van het pinnen (behalve bij de ABN).
Bedragkeuze Bij geen van de automaten is het mogelijk een bedrag van 5 euro te kiezen. De automaten kennen allemaal een basale vorm van validatie (vb: veelvoud van 10 euro)
Pin foutief Alle automaten hebben een soortgelijke workflow. Bij het foutief invoeren van de pincode wordt de gebruiker niet direct gealarmeerd, dit gebeurd pas enkele schermen later.
Biljetkeuze Alleen de automaat van de Rabobank geeft een biljetkeuze.
Gelduitgifte Bij de gelduitgifte gaat bij alle automaten een lampje knipperen bij het uitgiftevak. Er is geen geluidsignaal zoals bij het uitgeven van de pas.
Hulp Geen van de automaten heeft een help-functie. De Fortis-bank probeert met foto’s aan te duiden wat de gebruiker moet doen.
Tijd Gemiddeld kon de transactie binnen anderhalve minuut worden afgerond. De transactie bij de ABN Amro bank duurde iets langer. Hierbij moet worden opgemerkt dat binnen deze tijd ook foto’s genomen zijn. Zonder het nemen van foto’s zou de tijd waarschijnlijk onder de minuut liggen. Desondanks is de verhouding tussen actie en wachten scheef. De gebruiker moet langer wachten dan dat hij iets doet.

De enquête leverde de volgende conclusies op (N = 13): De gebruiksvriendelijkheid wordt gemiddelde beoordeeld met een 7,31 (standaarddeviatie: 0.85). De veiligheid wordt gemiddeld beoordeelde met een 5,96 (standaarddeviatie: 1,81).

Discussie en conclusies

De gebruiksvriendelijkheid wordt hooggewaardeerd. Het gevoel van veiligheid wordt iets lager gewaardeerd, maar is desondanks voldoende. Op zich lijkt er niets fout aan de automaten, maar er is ruimte voor verbetering.

De automaten kunnen op de volgende punten verbeterd worden (alleen de belangrijkste punten worden genoemd):

  • Vindbaarheid verhogen door 1 uniform logo of beeldmerk te gebruiken voor alle automaten
  • Meekijken voorkomen door de automaten beter af te schermen (zoals de ING-automaat) en een anti-meekijkscherm te gebruiken.
  • Meekijken voorkomen door een kapje over het pincode-toestbord
  • Taalkeuze ondersteuning voor anders-talige gebruikers (vb: Engels, Duits, Frans, Spaans, Pools of Turks)
  • Het banksaldo ook tonen wanneer niet bij de eigen bank wordt gepind
  • De verwerkingstijd verkorten.

Tijdens dit onderzoek zijn slechts een beperkt aantal automaten onderzocht. Er is nog meer onderzoek nodig naar andere typen automaten en door meer, en meer verschillende proefpersonen. Het onderzoek is alleen overdag uitgevoerd. Onderzoek naar het gebruik in het donker is aan te bevelen. De steekproefgrootte van de enquête is zeer klein. Een groter onderzoek is nodig om gefundeerde conclusies te trekken.

De rare mens-computer dialoog

Ons brein en een computer zijn twee heel verschillende en van elkaar losstaande dingen die allebei op een eigen manier werken. Hierdoor kunnen we ons brein niet zomaar inpluggen op het internet. Om op het internet te surfen hebben we een toetsenbord, muis en beeldscherm nodig. En eventueel zelfs speakers en een microfoon voor het geluid. We hebben onze zintuigen nodig om met een computer te communiceren.

Mens en computer werken als volgt samen. Stel: we willen het laatste nieuws op internet weten. Deze behoefte zetten we om naar een handeling (typen op een toetsenbord). De computer gaat aan de slag en toont ons de nieuwspagina (op het beeldscherm). Het licht van het beeldscherm valt op ons oog waardoor de aangeboden pagina in ons brein omgezet wordt naar hersenactiviteit. Deze activiteit bevredigt uiteindelijk onze behoefte. Zo beschouwd is dit een heel rare dialoog, hoe noodzakelijk ook.

Bij het schrijven van software streeft de programmeur er naar om het geheugen- en processorgebruik van de computer zo beperkt mogelijk te houden. Hierdoor werkt de software sneller. Programmeurs hebben namelijk geleerd dat gebruikers hier blij van worden. Wij mensen worden echter niet zo zeer blij van snelle software. We worden blij van snel bevredigde behoeftes. En niet minder belangrijk: met een zo klein mogelijke belasting van ons geheugen en zo min mogelijk hersenactiviteit.

Softwareontwikkelaars zouden eigenlijk niet alleen de processorcycles van hun computer moeten meten, maar ook de cognitieve cycles van de mens. En dit zien als één integraal onderdeel. Nou kunnen we in de dagelijkse praktijk al veel, maar helaas… zo ver zijn we nog niet.

Op zoek naar de bloedtranfusiedienst van het LUMC

Deze posting is een reflectieverslag van een opdracht dit ik voor mijn studie psychologie uitvoerde. De betreffende cursus is Cognitieve Ergonomie, de psychologische tegenhanger van het Delftse Industrieel Onderwerpen. De opdracht was: “Vind de bloedtransfusiedienst van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) zonder te vragen aan de balie. Beoordeel de bewegwijzering van het LUMC tussendoor.”

Op woensdag 24 februari om vijf uur ‘s middags gaan we op weg naar het LUMC, enkele minuten lopen van de faculteit. Vanaf de faculteit is de hoofdingang duidelijk zichtbaar en een logische plaats om het LUMC binnen te gaan. De hal van het LUMC is vrij leeg en je aandacht wordt getrokken door de roltrap die naar een groot atrium leidt, de informatiebalie (waar wij geen gebruik van mogen maken) en de borden die de weg wijzen naar de verschillende afdelingen en zones van het LUMC.

Wij stappen direct af op een groot informatiebord waar vele afdelingen vermeld staan. We zoeken vergeefs naar ‘bloedtransfusiedienst’. De twijfel slaat toe of het LUMC a) wel een bloedtransfusiedienst heeft, b) het bloedtransfusiedienst heet of c) de dienst onderdeel is van een grotere afdelingen die wel op het bord staat. De afdelingen op de wegwijzer zijn op zich logisch alfabetisch gesorteerd, maar vereist wel dat de bezoeker exact weet waar hij naar moet zoeken. Je moet de medische termen kennen.

Zo bevat de wegwijzer een afdeling hematologie. Met z’n vijven komen we tot de consensus dat deze afdeling iets met bloed te maken heeft. We zijn niet zeker dat we hier de door ons gezochte dienst vinden, en besluiten eerst verder rond te kijken. Later blijkt dat de afdeling hematologie zich vlak bij de bloedtransfusiedienst begeeft. Om ons heen kijkend komen we niet verder. We zien een maquette van het LUMC. Wellicht geeft deze ons een overzicht van het gehele gebouw en een aanwijzing naar een logische locatie om de dienst te plaatsen. Dit is net Sherlock Holmes.

We besluiten het LUMC te verlaten en om het ziekenhuis heen te lopen. Wellicht dat buiten wel borden staan die ons verder kunnen helpen. Helaas. Daar worden we niet wijzer van, wel kouder. De kou drijft de noodzaak tot een snelle oplossing op en zo komen we op het idee het internet te raadplegen (mobiel op de telefoon). De locatie van de dienst wordt door mij snel gevonden (E3Q), maar na protesten uit de groep stil gehouden. We besluiten zelf nog maximaal een half uur te zoeken en daarna de op het internet gevonden locatie te verifiëren.

Lopende om het LUMC heen worden de wegwijzers en borden steeds schaarser. Er staan enkele borden naar de eerste hulp en rouwkamers; geen verwijzingen naar de bloedtransfusiedienst, of iets wat daar op lijkt. Tot we langs gebouw E lopen. Dan zien we het gebouw van de bloedbank. Na enig dwalen, vinden we de ingang. Hier zit de dienst echter niet. Later blijkt dat de bloedbank via een loopbrug verbonden is met het LUMC, precies naar de bloedtransfusiedienst. Op zich logisch.

We besluiten via de eerste de beste deur het LUMC in te gaan en daar de bewegwijzering weer op te pakken. Dit kan bij gebouw D. We vinden de afdeling hematologie, maar niet de dienst die wij zoeken. Hiermee loopt onze deadline van dertig minuten ten einde en ik verraad dat we op locatie E3Q moeten zijn. Dit is een gebouw verder. Twee minuten later, om zes uur, staan we bij de door ons gezochte dienst. In gebouw E staat de dienst overigens wel vermeld op de verder duidelijke bewegwijzering.

Het is moeilijk te beoordelen of de bewegwijzering slaagt in zijn opzet. Het is gemakkelijk om op basis van onze zoektocht te stellen dat het LUMC gefaald heeft bij het plaatsen van wegwijsbordjes. Maar er is een twist. Onze zoektocht is opgevallen bij de bewaking van het ziekenhuis. Deze vraagt vermanend wat we aan het doen zijn. Het blijkt dat het niet de bedoeling is dat zomaar iedereen bij de bloedtransfusiedienst binnen loopt.

Het LUMC heeft waarschijnlijk besloten de afdeling niet te promoten op de wegwijzers. De afdeling lijkt bewust verstopt te zijn. Het LUMC is deze keer redelijk geslaagd in haar doelstelling.  Het is belangrijk te onderkennen dat moderne technologieën, zoals mobiel breedband internet, het steeds moeilijker maakt afdelingen te verstoppen.

Moderne middelen kunnen helpen bezoekers de weg te wijzen. Denk hierbij aan een soort TomTom voor binnengebruik. Hierbij wordt de bezoeker persoonlijk geholpen om zijn route te vinden binnen een extreem groot gebouw als het LUMC. Daarnaast kan software op een slimme manier helpen om überhaupt de juiste afdeling te vinden. Door te werken met trefwoorden kan de bezoeker google-en naar de juiste afdelingen.

Milgram’s obedience experiment beautifully documented

Just watch and see what happens. See wikipedia for background information on this infamous experiment. No clue what text I could add.

On a related note. Here is a nice video of the Asch experiment, also about obedience.

And to sheer you up after the previous depressing videos; here is a fun one with kids. The children who are able to resist the temptation will (statistically) later in life experience more success. This has all to do with delayed gratification.

Top video’s van top psychologen

Gedragsverandering met een moodboard

Als je een doel wilt bereiken moet je het doel meetbaar maken én daadwerkelijk je voortgang bijhouden. Maar er is meer. Doelen halen vereist een gedragsverandering. In plaats van alleen te meten of je het gewenste doel bereikt, is het juist essentieel om te meten in welke mate het nieuw benodigde gedrag een gewoonte is.

Gedrag kun je meten. Je kunt jezelf iedere dag de vraag te stellen of je een bepaald gedrag ook daadwerkelijk had. Een vraag kan zijn: ‘Heb ik vandaag de trap genomen in plaats van de lift?’. Het antwoord is helder: ja of nee. En niet vals spelen, maar eerlijk zijn.

Door jezelf periodiek deze vraag te stellen, kun je na een tijdje tellen (ja’s versus nee’s) in welke mate het gedrag een gewoonte is. Dan meet je zowel resultaat als gedrag. Hou dit vooral ook bij. Op papier dus. Verzin een aantal vragen. Schrijf deze onder elkaar en zet je antwoord voor dat moment daarachter.

Het beste stel je de vragen in een cyclus van een week. Iedere week start je met een lege lijst: een nieuwe week met nieuwe kansen. Zo kun je weken eenvoudig met elkaar vergelijken. Twee weken of een maand kan ook. Het is het belangrijkst, dat je een vast ritme aanhoudt.

Door focus te hebben op je gedragsverandering merk je na een tijdje dat je de vragen altijd met ja beantwoordt. Zonder dat je er moeite voor hoeft te doen. Je kunt je bijna niet meer voorstellen dat je de vragen met nee zou beantwoorden. De gewoonte is gerealiseerd.

Zodra dit gebeurd zul je zien dat gelijktijdig je doel bereikt is of binnen verschiet ligt. Tijd dus voor een nieuw doel met nieuwe gewoontes en een nieuwe serie vragen. Verwijder vragen uit de lijst die je altijd met ‘ja’ beantwoordt en verzin nieuwe vragen die moeilijk, maar wel mogelijk, haalbaar zijn.

Mocht je na een tijdje een bepaalde vraag nog steeds vaak met ‘nee’ beantwoorden, splits hem dan op in eenvoudiger te behalen gedrag. Ga niet in de put zitten, maar werk aan kleinere veranderingen.

Tot slot een paar praktische tips. Iets wat je ieder dag wilt doen, kun je als volgt vragen: ‘Heb ik maandag de trap genomen?’, ‘Heb ik dinsdag…’, enzovoort. Er is allicht gedrag dat je minstens drie keer wilt: ‘Heb ik één keer…’, ‘Heb ik twee keer…’. Met een beetje creativiteit is dit in een wekelijkse cyclus goed in te vullen.

Als lijst werkt een matrix het best: de vragen links en de weken aan de bovenkant. Zo heb je per week een kolom. In het midden vul je je antwoord in (‘ja’/’nee’). Door te werken met kleuren zie je in één overzicht hoe de vlag er voor staat. Groen staat voor ‘ja’, rood voor ‘nee’. Gebruik een kruis als de vraag die week niet van toepassing is.

De lijst met vragen verandert zo in een kleurig moodboard. Een bruikbaar overzicht dat je helpt bij het realiseren van verandering en het verkrijgen van resultaten. Je zult merken dat daardoor je focus verschuift van het stomweg najagen van doelen, naar het worden wie je wilt zijn.